Opinie

Boomer-criticus? Zie dan af van je erfenis

Maarten Schinkel

Dat was nogal een knuppel in het hoenderhok, het stuk dat schrijver en publicist Philip Huff zaterdag in het opiniegedeelte van NRC schreef. Het idee dat de babyboomgeneratie het weiland van welvaart en milieu heeft afgegraasd waardoor er voor volgende generaties weinig meer over is, is hardnekkig.

Maar is het wel zo? Weinigen wagen zich aan een schatting over de al dan niet terecht genoten welvaart van generaties en het netto-profijt dat zij van de samenleving hebben getrokken. In een onderzoek uit alweer 2010 kwam het Sociaal en Cultureel Planbureau, héél voorzichtig, met een berekening. Die suggereerde dat het netto-profijt van de overheid over de gehele levensloop juist piekt bij mensen die geboren zijn tussen ruwweg 1960 en ruwweg 1980. Bij generaties daarna neemt het profijt wat af, maar het blijft nog altijd boven dat van de gemiddelde babyboomer.

Het neemt niet weg dat de boomers door hun massa vaak cultuur en economie naar hun hand hebben gezet, en er vaak wel bij hebben gevaren. Niet moedwillig, maar omdat zij simpelweg met velen waren, en zijn. De jeugdcultuur kwam op terwijl zij jong waren, carrière maken werd weer in toen zij er aan toe waren en de hele samenleving is voorzichtiger geworden nu zij ouder zijn.

Dat is geen toeval en soms best irritant. En inderdaad: op de huizenmarkt lijkt deze generatie zijn slag goed te hebben geslagen. Rond 1985 bereikten de Nederlandse huizenprijzen, na een geknapte zeepbel eind jaren zeventig, een dal. Daarna ging het crescendo. Sinds 1995 gingen de huizenprijzen in Nederland drie keer over de kop en in Amsterdam 5 keer.

Maar het is niet zo dat alle boomers kopers waren. Bijna de helft van alle woningen is een huurhuis. Daar openbaart zich een veel interessantere kwestie. Huizenbezittende boomers hebben inderdaad een flink vermogen opgebouwd. Maar wat gebeurt daar straks mee? Zij geven dat door aan hun nakomelingen. Dat is al aan de hand: De Nederlandsche Bank concludeerde twee jaar geleden dat veel woningen in Amsterdam met cash worden gekocht, en schreef dat toe aan vermogende ouders die hun kinderen helpen te landen in de grote stad.

Mochten zich onder die nakomelingen boomer-critici bevinden, dan zouden zij eerst naar de notaris moeten rennen om daar vast te leggen dat zij van hun erfenis af zullen zien of hem meteen wegschenken. Want die is door hun ouders kennelijk onterecht verkregen.

Dat houdt de discussie zuiver en de kritiek geloofwaardig. Bovendien wordt hiermee het dreigende Piketty-principe doorbroken waarbij welvaart weer overerfelijk wordt en de sociale verhoudingen in de toekomst stollen tussen haves en have-nots. Aangezien vermogen, aldus Piketty, sneller groeit dan inkomen uit arbeid worden die verschillen als je niet uitkijkt steeds groter.

Ouderen worden al een tijdje opgeroepen om niet alleen te hameren op solidariteit tussen generaties (de AOW, ziektekosten, te hoge rekenrentes voor het pensioen), maar juist ook binnen de eigen generatie. Dat laatste zouden de boomer-critici ook kunnen doen door het geërfde vermogen te verdelen onder hun eigen generatiegenoten, al dan niet via belastingheffing. Want niet iedereen heeft boomer-ouders die er warm bij zitten.

Nogmaals: de kritiek zou er een stuk geloofwaardiger door worden. Want een beetje zitten pruttelen terwijl je weet dat het met jou later wel goed zit, kan iedereen wel. Voor de boomers zelf is er overigens troost. Leeftijdsdiscriminatie is de enige vorm van discriminatie waarin de dader uiteindelijk verandert in de gediscrimineerde. Kwestie van wachten. Oké?

Maarten Schinkel (1960) schrijft over economie en beurzen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.