Opinie

Argeloos gelukkig

Claudia de Breij

Claudia de Breij

De beelden zijn korrelig en zwart-wit, maar het kan niet anders dan waar zijn: dat is ons huis. Er staat een man in uniform in onze voortuin te wenken naar iemand die vanuit de kamer van mijn oudste zoon spullen over de rand van het balkon gooit. Lachend.

Kleding, koffers, met een grote armzwaai wordt de huisraad van de gehate bewoners (van wat nu ons huis is) naar buiten gegooid.

Dit gebeurde bijna vijfenzeventig jaar geleden. Via via kreeg ik een usb-stick met deze recentelijk ontdekte beelden. Tijdens de bevrijding van Utrecht stond een arts die hier tegenover woonde te filmen. Tanks met rokende Canadezen, juichende Utrechters (mijn grootouders kunnen ertussen hebben gestaan) en meisjes met grijs-wit-grijze vlaggetjes.

Er zaten Duitsers in dit huis tijdens de oorlog, dat wist ik wel. De joodse eigenaars waren weggevoerd of ondergedoken, het huis bezet. Hier vlakbij is de beruchte Maliebaan, waar alle hoofdkantoren van SS, NSB en andere nazi-organisaties huisden. Mussert woonde even verderop, in de kamer waar ik dit schrijf zullen ook een of misschien meerdere nazi’s hebben geleefd. Dat had de kleinzoon van de oorspronkelijke eigenaar me ooit verteld. Zijn grootvader was de eerste eigenaar, zijn familie bezat het huis tot ik ergens in de jaren 10 van deze eeuw mijn handtekening zette bij de notaris.

Destijds was ik zo druk met het maken van mijn eigen geschiedenis dat ik me niet heel erg in de zijne verdiepte. Oorlog, toestanden, ja, dat had je vroeger.

Nu besluit ik, gefascineerd door de oude beelden van ons huis, de koopakte er eens bij te pakken. De kleinzoon werd heel jong tot erfgenaam benoemd, lees ik, zijn moeder was al overleden toen hij nog een klein jongetje was. Ik zoek op de site van het Joods Monument haar naam. Ze woonde op dit adres, lees ik – en ze stierf in Auschwitz, 1944. Wat verder grasduinen leert dat ze nog een zusje had. Zij trouwde vanuit ons huis met een arts die door kon leren voor chirurg door zich aan te melden bij het KNIL. Ze kregen kinderen in Indonesië, zij werd met hen geïnterneerd in een Jappenkamp en haar man werd, ook gevangen, op een boot gebombardeerd door de Amerikanen. De Japanners hádden reddingsvesten, maar gaven ze niet aan de gevangenen.

„Toen wij terugkwamen uit de oorlog,” vertelde de bejaarde kleinzoon me bij de overdracht van het huis, „mochten we het huis niet in. Er hadden Duitsers gezeten, toen Canadezen en nu Nederlanders -en die hadden huurbescherming. We werden naar een huis aan de overkant van het park gestuurd. Daar waren net NSB’ers weggejaagd.” En toen, ineens met betraande ogen: „Het eten in dat huis stond nog warm op tafel.”

De notaris keek geconcentreerd naar zijn akte. We tekenden. Ik was blij, begon aan een volgend hoofdstuk van mijn leven. De kleinzoon feliciteerde me en zei geëmotioneerd: „Ik zou het zo fijn vinden als er weer een gezin gelukkig wordt in ons huis.”

Dat zijn we. Vijfenzeventig jaar later. We leven argeloos gelukkig – net als zij ooit deden.