Blaudzun: ‘Ik ben een dictator met fluwelen handschoenen’

Openhartig Johannes Sigmond (44), bekend als Blaudzun, maakte muziek bij het werk van Sigmar Polke. Polke vs Blaudzun is vanaf 13 december te zien in het Cobra Museum in Amstelveen. Hij beantwoordt negen vragen, vrij naar Marcel Proust.

Foto Andreas Terlaak

Wat zie je als je in de spiegel kijkt?

„Een jongetje, van 33 jaar. Dat was de leeftijd waarop ik dacht: nu ben ik echt mezelf, nu weet ik hoe het allemaal werkt. Niet dat ik ‘af’ ben. Ik heb nog steeds het gevoel dat het allemaal nog moet beginnen.”

Wat is je meest typerende eigenschap?

„Ik ben eigenwijs. Ik kan goed spelen dat ik opensta voor andere meningen, maar ik weet altijd wat ik wil en hoe ik het wil. Ik zat vroeger in bandjes, die bestonden bij de gratie van democratie. Ik geloof niet in democratie in de kunsten. Ik ben een dictator met fluwelen handschoenen.”

Wat is je grootste angst?

„Heel basaal; dat er iets gebeurt met de mensen waar ik van hou. Ik ben niet angstig ingesteld. Een paar jaar geleden had ik een dingetje met drugs en was ik er bijna niet meer geweest. Dat zorgt er juist voor dat ik nog harder ga leven. Nog meer feesten, goed eten, met lieve mensen mooie dingen maken.”

Wat vind je irritant aan jezelf?

„Ik hoorde laatst Theo Maassen ergens zeggen dat-ie in een pot vol zelfvertrouwen was gevallen – dat herken ik. Ik maak nogal graag mijn punt. Dat kan irritant zijn.”

Wat vind je irritant aan anderen?

„Mensen die nep zijn. Die zich opblazen, zich anders voordoen dan ze zijn.”

Welke eigenschap waardeer je in een vrouw?

„Dat ze zelfvertrouwen heeft en kwetsbaar durft te zijn. Dat ze weet van aanpakken, niet wegloopt als het lastig wordt. Maar dat zou ik bij een man ook zeggen.”

Welke eigenschap waardeer je in een man?

„Ik vind dat onderscheid tussen man en vrouw zo ver gezocht. Een goede vent heeft ook vrouwelijkheid in zich en een wijf met ballen vind ik aantrekkelijk. Ik vind het leuk als een man ijdel is. Ik verf mijn haren. Nick Cave doet het, dan mag ik het ook.”

Lijk je op je vader?

„Hij heeft altijd hard gewerkt. Toch had ik het gevoel dat hij er was, ook al zat hij niet elke avond aan tafel. Dat harde werken doe ik ook, alleen druk ik sneller op de pauzeknop. Even naar de bios of een rondje wielrennen. Mijn vader heet Willem, ze noemen hem vaak Willem de Zwijger. Hij zegt niet veel, maar als hij iets zegt is het to the point en luistert iedereen. Ik heb goede herinneringen aan autoritjes waarin we samen zwijgen en naar de radio luisteren.”

Lijk je op je moeder?

„Zij heeft me leren pianospelen. Ze zong altijd. In de keuken, in de tuin, in de badkamer. Zingen als een soort ademen. Dat heb ik overgenomen. Ik heb een fantastische jeugd gehad, het enige smetje was de religie. We zaten bij de Pinkstergemeente. Die bepaalt hoe je over kunst, seks, politiek denkt. Ik heb dat ervaren als een gijzeling van mijn gedachten. Ik heb me daarvan vrijgemaakt, maar ik denk dat mijn moeder nog elke dag bidt dat ik niet in de hel kom.”