Wie is de echte werkgever in internationaal vervoer?

Economie & recht Deze rubriek belicht elke week kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Ditmaal: Europees recht.

Remko de Waal

Aanvankelijk waren de chauffeurs in dienst van Nederlandse transportbedrijven en werden hun sociale premies in Nederland betaald. Dat veranderde toen in mei 2011 op Cyprus de firma AFMB werd opgericht, waarmee de vervoersbedrijven ‘fleetmanagementovereenkomsten’ sloten. De chauffeurs kregen hun loon voortaan uit Cyprus. „Wij zijn nu de werkgever”, stelde AFMB, dat ook de sociale premies op Cyprus afdroeg. Daardoor vielen de chauffeurs onder de goedkopere en soberder Cypriotische sociale verzekeringen.

De Nederlandse Sociale Verzekeringsbank (SVB) vermoedde een dubieuze constructie, omdat de chauffeurs precies hetzelfde werk voor dezelfde transportbedrijven waren blijven doen. De zaak belandde uiteindelijk bij het Hof van Justitie van de Europese Unie voor een antwoord op de vraag: wie is de premieplichtige werkgever?

In zijn conclusie van vorige week wijst advocaat-generaal Pikamäe erop dat sociale premies voor een internationaal beroepschauffeur volgens de Europese regels moeten worden betaald in de lidstaat waar de werkgever zetelt. Maar je moet ook kijken naar de „werkelijke arbeidssituatie”: waar zit het bedrijf dat de chauffeur zijn opdrachten geeft, zijn werk organiseert en de vrachtwagen heeft?

Het heeft er volgens Pikamäe alle schijn van dat AFMB de chauffeurs niet zelf in dienst heeft, maar dat in Nederland gevestigde transportbedrijven hun werknemers hebben ondergebracht bij AFMB. De Cypriotische firma moet dan als „een soort salarisadministrateur worden beschouwd en niet als een echte werkgever”. Hij spreekt van „een gekunstelde privaatrechtelijke juridische constructie” met de kennelijke intentie de Nederlandse wetgeving te omzeilen met het oog op economisch gewin. De conclusie van de advocaat-generaal weegt zwaar, maar het Hof hoeft haar niet te volgen. Dat doet komend voorjaar uitspraak.

Conclusie: ECLI:EU:C:2019:1010