Veel bronnen voor Hawija-onderzoek maar die zijn wel gebrekkig

Irak De Tweede Kamer wil dat kabinet onderzoekt hoeveel slachtoffers er vielen door de Nederlandse bom op Hawija. Onzeker is hoeveel informatie er te achterhalen valt.

De Iraakse stad Hawija in 2017, twee jaar nadat een bom van een Nederlandse F-16 een ravage had aangericht.
De Iraakse stad Hawija in 2017, twee jaar nadat een bom van een Nederlandse F-16 een ravage had aangericht. Foto Ahmad Al-Rubaye/AFP

De Tweede Kamer roept het kabinet op onderzoek te doen naar de slachtoffers van de Nederlandse luchtaanval in de nacht van 2 op 3 juni 2015 op een bommenfabriek van IS. De Tweede Kamer nam dinsdagmiddag een motie van die strekking aan.

In de Noord-Iraakse stad Hawija kwamen, op basis van een beredeneerde schatting van het Amerikaans opperbevel Centcom, ongeveer zeventig mensen om het leven. Dat gebeurde na een aanval van een Nederlandse F-16 op een vijandelijke bommenfabriek. Een definitief getal kon Centcom niet geven. Organisaties die onderzoek deden naar burgerdoden en instanties in Hawija zelf, kunnen mogelijk helpen de precieze omvang en aard van de groep slachtoffers duidelijk maken, aldus de aangenomen motie. Dit is van belang gezien de schadevergoeding die het kabinet in het vooruitzicht heeft gesteld.

Naast oppositiepartijen stemden ook de coalitiepartijen CDA en ChristenUnie voor de motie. Regeringspartij D66 had de motie ingediend. Vorige week zei minister Ank Bijleveld (Defensie, CDA) de motie niet te ontraden en de mogelijkheden van uitvoering ervan te onderzoeken. Ze wilde echter „geen valse hoop wekken”. Het gebied is moeilijk toegankelijk en gevaarlijk, aldus Bijleveld en veel informatie is in de afgelopen vier jaar verloren gegaan.

NRC, dat afgelopen zomer net als de NOS de regio bezocht voor onderzoek naar de luchtaanval, inventariseerde mogelijke informatiebronnen. Dat zijn er veel, maar vrijwel elke bron kent beperkingen. Naast deze lokale bronnen beschikt het Amerikaans opperbevel waarschijnlijk over de nodige informatie.

Welke bronnen zijn beschikbaar?

1. Registers

Het gemeentebestuur van de stad Hawija (ongeveer 100.000 inwoners) kent nauwelijks bruikbare registers over de inwoners. Bovendien werd alle administratie uit de periode dat IS bezit nam van de stad (juni 2014-oktober 2017) ongeldig verklaard door de Iraakse regering. Geboorteakten en andere persoonlijke papieren moesten burgers opnieuw laten opmaken.

Lees ook: Crisissfeer hangt rond Hawija-debat

2.Administratie medische voorzieningen

Bij een bezoek van de NOS in september aan Hawija toonde Osama Suleman, de directeur van een ziekenhuis, de administratie van doden en gewonden die de nacht van 2 op 3 juni 2015 waren gevallen. Het ging volgens hem om, opgeteld, ten minste tweehonderd mensen. IS controleerde het ziekenhuis; onduidelijk is in hoeverre dat invloed heeft gehad op de rapportage van het ziekenhuis. De Iraakse regering erkende de documenten in elk geval niet. Hawija kende ook geen mortuarium. Doden werden meteen begraven of – in de tijd van IS – in een massagraf gegooid.

3. Internationale hulporganisaties als de UNHCR en het Rode Kruis

Zij hielden gegevens bij van bijvoorbeeld vluchtelingen die in kampen in en rond Kirkuk terechtkwamen. Het Internationale Rode Kruis wordt met name genoemd in een brief van minister Bijleveld (25 november) over de luchtaanval. In een rapport over bombardementen op Hawija sprak het Rode Kruis van 150 tot 170 (onbevestigde) doden.

4. Administratie IS

Na de bevrijding van steden als Mosul en Raqqa in 2017 stuitten Westerse militairen en journalisten op verrassend gedetailleerde boekhoudingen van IS-bestuurders. Die bevatten informatie over bewoners die werden gevangen gezet of gestraft door IS, maar ook bijvoorbeeld over koopcontracten. Daarnaast hield IS waarschijnlijk lijsten van gedode strijders bij, mogelijk ook in Hawija.

5. Het ‘Compensatiecomité’

Dat comité verzamelt in de nabijgelegen stad Kirkuk documenten van belanghebbenden die een aanvraag indienen voor een schadevergoeding. Daarvoor is grote belangstelling. Door gebrek aan mankracht en corruptie is de administratie echter gebrekkig. Gelieerd hieraan bestaat er een ‘Martelaren-comité’, dat over nabestaandenpensioenen gaat.

6. Lokale burgercomites

NRC sprak vorige week met Mohammad ‘Abu Louis’ Shadid Hamad Dawoud (65) uit Hawija. Hij begon enkele weken geleden een zoektocht naar personen die in de nacht van 2 op 3 juni 2015 stierven. Met een groepje vrijwilligers ging Abu Louis in Hawija van deur tot deur de getroffen wijken af, op zoek naar ooggetuigen en nabestaanden. Zijn voorlopige bevindingen: 62 doden, onder wie 36 kinderen en 13 vrouwen, 822 gewonden, 70 verwoeste huizen.

Naast deze comités zijn er lokale groepen op deelonderwerpen actief, zoals vrouwenrechten, landbouw of religieuze thema’s. Mogelijk werden ook leden van deze groepen getroffen door de luchtaanval.

7. Rechtbanken

Rechtbanken in Hawija vormen een belangrijke bron. Burgers moeten daar persoonlijke documenten laten legaliseren of opnieuw laten opmaken.

8. Nabestaanden en getuigen

Zowel in Hawija en Kirkuk leven veel nabestaanden van omgekomen personen en getuigen van de aanval. NOS en NRC hebben in Irak en Nederland rond de 25 van hen gesproken. Daarbij waren niet alleen mensen die in Hawija en omstreken woonden, maar ook vluchtelingen uit zuidelijker gelegen gebied, zoals Tikrit. Veel van deze vluchtelingen liggen volgens bewoners nog steeds begraven onder het puin dat nooit is opgeruimd.

9.Onderzoeken van gemeentelijke en provinciale afdelingen

Er bestaat bijvoorbeeld een studie van de provincie naar verwoeste instellingen en daaraan gelieerde wederopbouwprojecten. Hoewel het hierbij om gebouwen gaat en niet om mensen, kunnen de gegevens helpen eigenaren en andere betrokkenen op te sporen.

10. Sociale media

Nabestaanden van omgekomenen en lokale activisten en journalisten postten na een aanval vaak berichten en foto’s van burgerslachtoffers op Facebook, Twitter en Instagram. Organisaties als Airwars maken veel gebruik van deze berichten die kunnen helpen bij een zoektocht naar de mensen erachter.

11. Lokale journalisten

Ten slotte is het Koerdische media-netwerk rudaw.net een mogelijk nuttige bron. Het was een van de eerste media die vlak na de aanval juni 2015 melding maakten van zeventig burgerdoden. Dat gebeurde op basis van „lokale en medische bronnen”. Onder de 70 waren 22 vrouwen en 26 kinderen, aldus de Koerdische journalisten. De Koerden vochten mee aan de kant van het Westen tegen IS.