Recensie

Pas na de pauze komen rust en balans

Recensie Met het Sibelius Festival wil het Rotterdams Philharmonisch het publiek verrassen met onbekendere muziek van de Finse componist. Maar dan moet het orkest het eerst zelf goed kennen.

Foto Guido Pijpers

In Rotterdam klonk afgelopen weekend de tweede helft van het door het Rotterdams Philharmonisch Orkest opgezette Sibelius Festival. Verdeeld over twee weekenden (de eerste in mei dit jaar) klonken onder andere al zijn zeven symfonieën. Opnieuw werd de Finse dirigent en vermaard Sibelius-kenner Jukka-Pekka Saraste aangetrokken.

Zondag klonken de laatste drie symfonieën, waarin Sibelius zocht naar een nieuwe symfonische vorm. Het is zoekende muziek: er is wel een thema, maar dat wringt zich lang in bochten op zoek naar vorm en vaste grond. Als de zoektocht slaagt, nestelt het zich aan het einde van het werk volgroeid en tevreden in de muziek. Het Rotterdams Philharmonisch zocht wel, maar vond weinig.

Vooral de Vijfde Symfonie hield geen stand. Er ontbrak balans, verhaal, richting: muziek. Sibelius hield van vlugge, repetitieve loopjes in de violen. Ze lijken eenvoudig, maar juist de eindeloze herhaling strak én gebalanceerd volhouden is een opgave. Zodra de violen een dergelijk motief zagen aankomen, werden alle banden met de rest van het orkest verbroken. Het doel: overleven en heelhuids het volgende motief bereiken. Eerst onderling gelijk zien te blijven; een muzikaal idee of goede balans met de rest van het orkest was eventueel mooi meegenomen.

Saraste bleef er verrassend stoïcijns onder en droeg soms zelfs bij aan de onrust, als een versnelling of vertraging van zijn slag maar deels werd opgepikt. Alleen waar Sibelius zijn vroegere ‘Duits romantische’ stijl liet doorschemeren, herpakte het orkest zich. Vooral na de pauze, in de Zesde en met name de Zevende Symfonie, die van zichzelf meer lange lijnen bevatten, hervonden de spelers rust, balans en speelplezier.