Niets is meer veilig in Trumps handelsoorlog

Techtaks Taboe na taboe wordt gebroken in de handelsoorlog nieuwe stijl. Ook diensten komen nu onder vuur te liggen in de strijd om ‘digitale soevereiniteit’.

De VS dreigen bijvoorbeeld Franse producten, zoals kaas, bubbelwijn en luxe handtassen, te treffen met tarieven van maar liefst 100 procent.
De VS dreigen bijvoorbeeld Franse producten, zoals kaas, bubbelwijn en luxe handtassen, te treffen met tarieven van maar liefst 100 procent. Foto Stephane Mahe/Reuters

Terwijl er nog steeds geen wapenstilstand is gesloten in de handelsoorlog tussen de Verenigde Staten en China, opende het Witte Huis maandag twee nieuwe fronten. De regering van president Donald Trump kondigde heffingen aan op Braziliaans en Argentijns staal en ging vol de confrontatie aan met Frankrijk. Dat land wil techbedrijven als Google gaan belasten op de omzet die zij in Frankrijk maken, ongeacht de fiscale routes die zij daarvoor hebben bedacht.

Financiële analisten wezen op de verstoring die de nieuwe staalheffingen kunnen veroorzaken. Paul Donovan, de hoofdeconoom van de bank UBS, stelde dat Amerikaanse bedrijven steeds minder zeker kunnen zijn van hun internationale productieketens, nu daar met ogenschijnlijke willekeur gaten in kunnen worden geslagen. Maar minstens even fundamenteel is de nieuwe fase in het Amerikaanse handelsconflict met Frankrijk.

Diensten niet meer veilig

De strijd verlegt zich naar de dienstensector. De VS dreigen niet langer alleen met importheffingen, maar ook met regelrechte beperking van dienstverlening uit het buitenland. In dit geval Frankrijk, maar het is de vraag of het daarbij blijft. Trumps handelsgezant, de havik Robert Lighthizer, kondigde aan te gaan onderzoeken welke Franse diensten moeten worden getroffen door „een boete of een restrictie”.

Dit het nieuwe oog om oog, tand om tand in de internationale handel: tref jij mijn diensten, dan tref ik die van jou. Of Lighthizer Franse IT-bedrijven, Franse accountants of de Franse reisbranche wil treffen is nog niet bekend.

Diensten waren ook al onderdeel van het Chinees-Amerikaanse conflict: Amerikaanse technologiebedrijven mogen geen diensten of apparatuur leveren aan Chinese firma’s als Huawei. Sowieso vervaagt de grens tussen goederen en diensten in het digitale tijdperk snel: bedrijven die machines leveren – denk aan ziekenhuisapparatuur of een verfmengmachine – leveren zelf ook onderhoud én software-updates.

Van tarief naar slot op de deur

In de handelstheorie wordt een groot onderscheid gemaakt tussen zogenoemde tarifaire en non-tarifaire barrières. Importtarieven lijken draconisch. Nu dreigt Lighthizer bijvoorbeeld Franse producten, zoals kaas, bubbelwijn en luxe handtassen, te treffen met tarieven van maar liefst 100 procent. Daardoor zouden ze twee keer zo duur worden op de Amerikaanse markt. Maar in wezen zijn deze tarieven de laagste trede op de escalatieladder. Want hoeveel heffingen of accijnzen er ook op import zijn, de handel kan wél blijven stromen.

Dat wordt anders bij de non-tarifaire belemmeringen die nu voor de deur staan. Bij goederen zijn er veiligheids- en gezondheidseisen die vrijhandel in de weg staan. Bij diensten kan het gaan om restrictieve aanbestedingsregels of om privacyregels die binnenlandse bedrijven bevoordelen.

Barrières stijgen wereldwijd

Uit onderzoek van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) bleek onlangs dat de handelsbelemmeringen tussen de G20-economieën tussen mei en oktober dit jaar rap zijn toegenomen. Deze trend is sinds 2017 waarneembaar. Niet alleen in de goederenhandel, maar ook in de dienstenhandel. Van Indiase eisen voor buitenlandse betaalbedrijven tot extra Japanse screening op buitenlandse investeringen in de telecomsector. Nogal eens speelt ‘nationale veiligheid’ een rol, zoals ook bij de Amerikaanse sancties tegen Huawei. Uit ander onderzoek over digitale diensten van de OESO, de denktank van rijke landen, blijkt dat de regelgeving in de G20 tussen 2014 en 2018 protectionistischer is geworden.

Terwijl importtarieven op staal, auto’s, kaas en whisky de meeste aandacht genereren – 10 procent! 100 procent! – gaat de handelsoorlog van de 21ste eeuw steeds meer over regels die het (digitale) dienstenverkeer beperken. In de strijd om de ‘digitale soevereiniteit’ – een term die onder meer in Frankrijk veelvuldig wordt gebruikt – gaat het om nationale veiligheid, om nationale trots, maar ook om overheidsinkomsten.

Tech-giganten onder vuur

Meer dan in andere landen is in Frankrijk omstreden hoe de Amerikaanse ‘Big Tech’ winst maakt met persoonsgegevens van Franse burgers, maar in dat land amper belasting betaalt. Frankrijk belast daarom sinds begin dit jaar bedrijven uit de digitale sector die wereldwijd minstens 750 miljoen euro omzet halen én minstens 25 miljoen euro in Frankrijk met 3 procent. Het gaat om een omzetbelasting, in plaats van een winstbelasting die doorgaans op bedrijven wordt geheven. Niet alleen omdat winst anders misschien dubbel zou worden belast, maar ook omdat een bedrijf internationaal wel makkelijk met zijn winst kan schuiven, maar met zijn omzet veel moeilijker.

In zijn maandag verschenen rapport wijst handelsgezant Lighthizer erop dat Franse politici zélf toegeven dat ze specifiek Amerikaanse techbedrijven in het vizier hebben. Ze hebben het over ‘le taxe GAFA’, wat staat voor Google, Apple, Facebook en Amazon. Dat klinkt als Franse jaloezie op Amerikaans techsucces, vindt hij. Overigens treft de Franse belasting ook één Frans bedrijf, online-reclamefirma Criteo.

Overleg in Biarritz

Afgelopen zomer, bij G7-overleg in het Franse Biarritz, leek het er even op dat het Frans-Amerikaanse conflict was bijgelegd. Frankrijk zou het verschil terugbetalen tussen de eigen techtaks en een toekomstige heffing waarover gesproken wordt binnen de OESO, de denktank van rijke landen. De OESO stelde onlangs voor om regeringen de macht te geven om grote buitenlandse bedrijven te belasten die in hun land actief zijn, zonder dat bekend werd hoe hoog die heffing zou worden.

De OESO kwam de VS tegemoet door niet alleen digitale, maar álle bedrijven die verkopen aan buitenlandse consumenten onder de nieuwe regels te laten vallen. Niet alleen Facebook of Google, maar ook Franse luxeconcerns als LMVH zouden dan meer belasting moeten betalen. Begin januari moet er een principeakkoord liggen bij de OESO, waarover overigens ook niet-OESO-landen als China en India meepraten.

Maar noch de Frans-Amerikaanse wapenstilstand in Biarritz noch het OESO-voorstel heeft de spanningen uit de lucht gehaald. De twee landen gaan er hard in. Frankrijk voerde, net als onder meer Oostenrijk en Italië, unilateraal een techbelasting in om druk op het OESO-proces te zetten. En de VS vertrouwen duidelijk ook niet op de goede afloop van de OESO-gesprekken, nu ze de Fransen hard willen treffen met sancties.

Frankrijk dreigt op zijn beurt weer met tegensancties, maar moet daarvoor wel de hele EU meekrijgen. De EU, zei een woordvoorder van de Europese Commissie dinsdag, zal „met één stem spreken”.