Opinie

Na het moment dat ze nog in je goede inborst geloven

Maxim Februari

Mike zit in de problemen. Er wordt tegen hem gepraat. Hij ziet eruit als een geslagen hond en buiten beeld vertelt een hulpverlenende stem hem in alle redelijkheid nog eens hoe verschrikkelijk hij is.

„Eigenlijk weet niemand goed wat ze met jou aan moeten. Kijk, je moeder heeft zoiets van: ‘Ik weet het gewoon niet met Mike. Het kan zijn dat er een steekje bij hem los zit. Dat-ie zo geboren is.’ Jouw vader heeft heel erg zoiets van: ‘Het is de puberteit. Als hij straks achttien of negentien is, dan trekt dat wel weer recht.’ Die visie deel ik overigens niet.”

De hulpverlenende stem bedoelt het goed, daar twijfel ik niet aan. Dit is geen reality-tv van de commerciële omroep, waar kinderen dronken worden gevoerd in de hoop dat ze hun seksuele remmingen verliezen. De film Rotjochies is een serieuze documentaire waarvoor een serieuze filmmaakster langdurig het werk heeft gevolgd van een serieuze hulpverlenende instantie. Die instantie wil luisteren naar „het verhaal van pijn, onrecht en onmacht” onder probleemgedrag. Dat geloof ik echt.

En dus krijgt een veertienjarige jongen voor het oog van heel Nederland te horen welk vernietigend oordeel zijn eigen moeder over hem velt. En niet alleen zijn moeder, zegt de hulpverlener. „Snap je dat er toch wel mensen zijn die zeggen: ‘Ja, zit er dan een steekje los bij Mike?’ Kun je je dat voorstellen? Ja? Leg eens uit waarom je je dat voor kunt stellen?”

Het is waar, ik heb makkelijk praten. Ik kijk alleen toe, aan mij heb je helemaal niets. Ik verleen geen hulp. Ik heb niet eens een kind. Maar met die slag om de arm, en met de verzekering dat ik geen toegewijde mensen de maat wil nemen, moet me toch van het hart dat ik gruw van de kille rationaliteit van deze ondervragingen. Het ontoeschietelijke. Het argumentatieve.

Voor kinderen als Mike is dit hun hele leven: machteloos op een stoel zitten terwijl een professional tegen je aan zit te argumenteren en te analyseren. „Wat maakt dat je behoefte hebt aan een app waarmee je opdracht kunt geven om een ander dood te schieten?” „Kweenie.” „Het feit dat je dat niet weet… Er is toch iets in jou dat denkt, hé, laat ik een app downloaden …”

Dan, kort na deze film, zie ik een tweede film over een jongen in de problemen. Ditmaal de dertienjarige Palestijn Ahmad, die door de staat Israël wordt aangeklaagd wegens poging tot moord. Hij is met een neefje de straat opgegaan, heeft volgens eigen zeggen met een mes gezwaaid om angst te zaaien, maar heeft, zegt hij, niet gestoken.

Ook Ahmad is voorbij het moment in de kindertijd waarop anderen nog in je goede inborst geloven. Dat moment is moeilijk te herkennen, maar het is wel duidelijk dat het voor sommigen eerder komt dan voor anderen. Volgens de Israëlische wet kun je als dertienjarige nog niet tot gevangenisstraf worden veroordeeld, alleen tot jeugddetentie. Maar, zegt de aanklager, Ahmad is slechts „een kind met het gezicht van een kind”. Eigenlijk is hij een terrorist.

Het verschil met Mike is dat Ahmad hulp krijgt van iemand die aan zijn kant staat. Een echte advocaat: de Israëlische mensenrechtenadvocaat Lea Tsemel. Op haar 75ste heeft ze al tienduizenden Palestijnen verdedigd; zaken tegen de staat die ze trouwens ieder keer weer heeft verloren. „I am a losing lawyer.” Heeft ze wel eens eerder zo’n jonge cliënt gehad? Ze zucht diep. „Dertien niet. Nog nooit.”

Ahmad staat tegenover een onbuigzame staatsmacht. Hij gaat dit verliezen. Maar de filmer heeft tenminste de moeite genomen zijn gezicht onherkenbaar te maken. En zijn advocaat pakt hem een tel lang moederlijk bij zijn kin als ze hem uitlegt wat ze in de rechtszaal gaat doen. Palestijnse vrouwen die hem als martelaar willen vereren, worden door de advocaat vriendelijk maar beslist weggestuurd. „Rustig, rustig, meisjes.”

Twee jongens in grote problemen. Mike, in het vredige Nederland, krijgt van de hulpverlening nog een allerlaatste kans, die mislukt. Volgens de hulpverlener wordt hij onder haar toezicht „harder en harder” en dus wordt hij weggestuurd, naar het leven voorbij de allerlaatste kans. Niemand die hem nog wil.

En Ahmad, in Advocate, treft rechters die niet zien dat hij een kind is. Zodra hij veertien is, sluiten ze hem op in een gevangenis waar hij het gevaar loopt te radicaliseren en te worden geronseld door Hamas. Maar hij heeft één belangrijk ding voor op Mike. Hij heeft menselijkheid om zich heen, liefdevolle familie, betrokken ouders. En hij heeft een advocaat. „U houdt niet van me”, had Ahmad aan het begin van de rechtszaak tegen haar gezegd. „Want u bent een Jood en Joden houden niet van me.” „En toen zei ik: ‘Let maar eens op’.”

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.