Alleen op het veld had Marco van Basten ‘killerinstinct’

Autobiografie Marco van Basten Als prof oogde Marco van Basten zelfverzekerd, als patiënt was hij de wanhoop nabij en als trainer twijfelde hij aan alles.
Marco van Basten scoorde drie keer in de EK-groepswedstrijd tegen Engeland, in 1988.
Marco van Basten scoorde drie keer in de EK-groepswedstrijd tegen Engeland, in 1988. Foto Neal Simpson - EMPICS

Een koele kikker, arrogant ook. Recht op zijn doel af als spits, recht voor zijn raap tegen vader, vriend en vijand. Bewonderaar én criticus van Johan Cruijff. Een onafhankelijke geest, geen meeprater. En niet te vergeten: een doeltreffende midvoor die in Nederland maar vooral in Italië een heldenstatus verwierf. Dat is het beeld van Marco van Basten.

Lees zijn autobiografie Basta, maandag gepresenteerd in de Amsterdamse Stadsschouwburg, en je krijgt een genuanceerder beeld. Als prof oogde hij zelfverzekerd, als patiënt was hij de wanhoop nabij en als trainer twijfelde hij aan alles. Killerinstinct vertoonde hij alleen op het veld.

Een greep uit de lange lijst van bijnamen: San Marco, Nureyev (dixit Silvio Berlusconi, eigenaar van AC Milan en later premier), Il Cigno (de Zwaan). Een spandoek vermeldde: ‘Op de achtste dag schiep God Marco’. De bewondering ging hand in hand met prijzen. Europees kampioen, drie Europa Cups, drie keer Europa’s beste speler, eenmaal ’s werelds beste.

Hij was specialist van de omhaal, waarop hij als kind al oefende bij de Maarsseveense Plassen. Door de zachte landing op het zand waagde hij de spectaculairste sprongen. Op de Utrechtse pleintjes, bij amateurclub UVV en later bij Ajax, Milan en Oranje vervolmaakte hij zijn techniek.

„Mijn doel was de beste te zijn. En dan bedoel ik ook echt de allerbeste; van de wereld dus. Daar moest alles voor wijken en daar ging ik ver in. Je zou het bijna een soort blinde drang kunnen noemen. Oerinstinct. Erlangs, eroverheen of er desnoods dwars doorheen”, laat hij door Edwin Schoon optekenen in zijn boek.

Zinnen van die strekking schreef hij in een notitieblokje in zijn kinderkamer, door zijn vader later tot museum ingericht. Op een bureaulegger stond: „Ik ben de beste op mij na.” Hij hield alles bij, een perfectionist tenslotte.

Heel Holland vierde feest

De omhaal aller omhalen maakte hij in 1986 tegen FC Den Bosch, zijn beroemdste goal in de EK-finale 1988 tegen de Sovjet-Unie. Meer volley dan omhaal. Juist door zijn toen al vastgepinde enkel belandde de bal in de kruising en niet in de bovenste ring, verklaart hij nu. Heel Holland vierde feest. Zelf zei hij bij de huldiging: „Laten we niet overdrijven, volgende week staan we weer bij de supermarkt.”

Hij werd topscorer én beste speler van het EK. Het hoogtepunt in zijn carrière nadat hij het toernooi als reserve was begonnen, terugkomend van (alweer) een blessure. Zijn ‘slidingschuiver’ in de halve finale tegen het gastland was voor de halve natie een Wiedergutmachung van de verloren WK-finale in 1974. Veel medespelers vertoonden anti-Duits gedrag. (Zo veegde Ronald Koeman zijn billen aan een geruild Duits shirt af). Van Basten: „Ik had niets met dat anti-Duitse sentiment.” Waarmee zijn recente Sieg Heil-opmerking eens temeer als een verbale uitglijder kan worden uitgelegd. Niet meer en niet minder.

Lees ook: De foute grap van Marco

Twee jaar eerder was het blessureleed door eigen toedoen begonnen. Hij blesseerde zichzelf na een onhandige tackle tegen FC Groningen. Hij wilde zich laten gelden omdat zijn broer uit Canada op de tribune toekeek. De blessure leek al vrij snel onder controle. De sportieve hoogtepunten lagen nog voor hem.

Na de oranjegekte in 1988 speelde hij zijn beste voetbal voor AC Milan. Oudere tifosi zijn nog altijd lyrisch over zijn elegante stijl en zijn wondergoals. In „mijn San Siro” liep hij in 1995 een laatste, voor velen onvergetelijke ereronde. Spijkerbroek, roze hemd, suède jack. „Ik was te gast op mijn eigen begrafenis”, schrijft hij.

Scan van de geblesseerde enkel in het universiteitsziekenhuis Utrecht in 1987.
Foto Dick Koersen/ANP
Winnende treffer in de Europa Cup II-finale Ajax - Lokomotive Leipzig (1-0) in 1987.
Foto Leo Vogelzang

Bijna niemand in het stadion hield het droog, ook ploeggenoten en trainer Fabio Capello niet. Zelf vocht hij tegen de tranen. Hij wilde zich niet laten kennen en zijn reputatie van cool, calm and collected in stand houden. Uiterlijke schijn, geeft hij nu toe. Hij was die avond erg emotioneel. „Het klinkt heel lullig maar ik had nog eigenwijzer moeten zijn. Ik had moeten zeggen: ‘zolang ik pijn heb speel ik niet’.”

Kruipend naar de wc

In zijn huis in Badhoevedorp ging hij destijds ’s nachts kruipend naar de wc, schrijft hij in zijn boek. „De drempels zijn het lastigst, mijn enkel moet er zonder botsen overheen. Bij het kleinste tikje moet ik een schreeuw voorkomen. Ik wil niemand wakker maken. Ze mogen me niet horen, wil zo niet gezien worden.”

Tot 1993 verbeet hij de pijn, onderging hij vele (kijk)operaties. Ondertussen groeide hij uit tot ’s werelds beste aanvaller. Eind ’92 onderging hij een achteraf fatale operatie. In al zijn radeloosheid zocht hij later het alternatieve, medische circuit op. Hij consulteerde haptonomen, magnetiseurs, kwakzalvers en andere handopleggers – zelfs Jomanda. Onder het mom: alles beter dan de chirurgen die zijn enkel hadden geruïneerd.

Met vervaarlijke apparaten werden zijn banden, spieren en botten in de loop der jaren aan elkaar vastgezet of uit elkaar getrokken. Niets hielp. Op zijn 28ste moest hij de strijd opgeven. Op zijn 38ste leerde hij zijn voetballoze bestaan pas echt te accepteren. „Want zonder die enkel zou ik dan zo ongeveer gestopt zijn.”

Hij belandde na zijn afscheid in een zwart gat, voor hij tot veler verrassing bondscoach werd . Na Oranje „mislukte” hij naar eigen zeggen als trainer van Ajax en Heerenveen. Hij lag nachtenlang wakker van de stress, leverde opgelucht zijn contracten in. Daarover vertelt hij, in typische Van Basten-spreektaal, eerlijk in dit boek, dat alleen daarom al geloofwaardig leest.