Te weinig begeleiding voor asielzoeker bij verhuizing

Gemeenten Bij vier op de vijf vergunninghouders hebben het COA en gemeente geen overdrachtsgesprek. Dat is in strijd met de afspraken.

Foto Vincent Jannink/ANP

Asielzoekers met een verblijfsvergunning krijgen onvoldoende begeleiding als zij vanuit de opvang naar een eigen woning verhuizen. Bij vier op de vijf vergunninghouders vindt geen overdrachtsgesprek plaats tussen het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en de gemeente. Dit blijkt uit ongepubliceerd onderzoek van het COA onder ruim 2.500 vergunninghouders. „Het risico” is dat de inburgering van vergunninghouders „suboptimaal verloopt”, schrijft het COA in een intern memo van oktober dit jaar.

De resultaten staan haaks op afspraken van het COA en de gemeenten met het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het COA heeft beloofd dat 80 procent van de vergunninghouders via een „warme overdracht” in de gemeente zou instromen. Zo moet er een gesprek plaatsvinden tussen de vergunninghouder, de COA-medewerker en een ‘klantmanager’ van de gemeente. In het gesprek komen opleidingsniveau, werk en achtergrond van de nieuwkomer aan bod.

„Dit moet beter”, zegt een woordvoerder van het COA. „We zijn bezig met een plan van aanpak om het aantal overdrachtsgesprekken omhoog te krijgen.” De Vereniging van Nederlandse Gemeenten was niet bereikbaar voor commentaar.

Ruim 5.500 asielzoekers met verblijfspapieren wachten nu in opvanglocaties tot zij een woning toegewezen krijgen. Het is voor gemeenten belangrijk te weten wat nieuwkomers kunnen, omdat zij verplicht zijn statushouders aan een baan te helpen. Werk is een belangrijke stap naar integratie. Bij het merendeel lukt dit niet, bleek al uit onderzoek van de Sociaal-Economische Raad van dit jaar: twee derde belandt in de bijstand.

Volgens het onderzoek van het COA zijn er „belemmerende factoren” waardoor een overdrachtsgesprek ontbreekt. Voor gemeenten kost het veel tijd: afgelegen azc’s zijn ver rijden voor de klantmanagers. COA-medewerkers weten niet goed welke informatie zij mogen delen met de gemeente in verband met privacyregels.

De regio’s Noord (10 procent) en Midden-Zuid (6 procent) scoren het slechtst: daar worden de minste gesprekken georganiseerd tussen de vergunninghouders, COA en gemeente. Een reden geeft het onderzoek niet. Bij de 20 procent van de vergunninghouders die wel met het COA en de gemeente om tafel gingen, plaatst het onderzoek kanttekeningen: sommige gesprekken werden telefonisch afgedaan, per e-mail, of zonder de gemeentelijk medewerker, maar zijn wel genoteerd als afgerond.

Een ander belangrijk onderdeel van de kennismaking tussen gemeenten en de nieuwkomers is het ‘klantprofiel’. Daarin staat informatie over opleiding, werkervaring en ambities. Met deze gegevens kunnen gemeenten vergunninghouders beter aan een woning, opleiding of werk helpen. Van vier op de vijf nieuwkomers stuurde het COA een klantprofiel naar de gemeente en voldeed zo aan de ‘streefnorm’, maar de informatie was in bijna de helft van de gevallen niet actueel, incompleet of weinig specifiek.

Incomplete klantprofielen en ontbrekende overdrachtsgesprekken zijn een „bekend probleem”, volgens een woordvoerder van VluchtelingenWerk. Het is inefficiënt en vertraagt de integratie, zegt hij. „Erkende vluchtelingen moeten zich bij een gebrekkige overdracht opnieuw voorstellen aan wéér een nieuwe instantie.”