Necrologie

Mariss Jansons: bezielde, perfectionistische klankpolijster

Mariss Jansons (1943-2019), dirigent De Letse dirigent Mariss Jansons, van 2004 tot 2015 chef-dirigent van het Concertgebouworkest, stond voor lucide en opwindende interpretaties. Jansons overleed zondag in zijn woonplaats Sint Petersburg.

Mariss Jansons dirigeert tijdens het Nieuwjaarsconcert in januari 2016 het Weens Philharmonisch Orkest.
Mariss Jansons dirigeert tijdens het Nieuwjaarsconcert in januari 2016 het Weens Philharmonisch Orkest. Foto Herbert Neubauer/ APA

Afgelopen maand nog was hij in het nieuws. Voorzichtig gemor in München bij het orkest van de Bayerische Rundfunk. Chef-dirigent Mariss Jansons, internationaal zeer gevraagd, zegde de laatste tijd concert na concert af vanwege zijn broze gezondheid. Jansons overleed zondag in zijn woonplaats Sint Petersburg. Hij werd 76 jaar. Jansons leed al zeer lang aan ernstig hartfalen – een conditie die begon toen hij in 1996 getroffen werd door een infarct. Talrijke ingrepen hielden hem op de been, maar zijn conditie bleef voortdurend breekbaar.

Mariss Jansons was de zesde chef-dirigent in de recente geschiedenis van het Koninklijk Concertgebouworkest. Hij kwam er in 2004, als opvolger van Riccardo Chailly, en bleef tot 2015, toen hij – opnieuw voornamelijk om gezondheidsredenen – ervoor koos alleen nog in München chef te willen blijven en werd opgevolgd door Daniele Gatti.

Jansons’ Amsterdamse chef-schap was het enige relationeel rimpelloze in de geschiedenis van het orkest. Het was ook onder Jansons dat het orkest in 2008 door muziektijdschrift Gramophone werd verkozen tot beste orkest ter wereld. Met reden: Jansons toonde zich elf jaar lang een hyperperfectionistische klankpolijster die excelleerde in diepgevoelde uitvoeringen van met name Mahler, Bruckner, Strauss en Russisch repertoire.

Met moderne muziek had hij wat minder; als er een kritiekpunt klonk, was het dat. Toen Jansons tijdens de wereldtournee van het orkest in 2013 instortte tijdens een concert in Sydney, vreesde iedereen dat hij het lot van zijn vader, dirigent Arvids Jansons, zou volgen: die overleed op de bok aan een infarct, tijdens het dirigeren van Mahlers Vijfde symfonie.

Maar Jansons bleef opstaan en doorgaan. „Een artiest heeft geen keuze. Koorts, moe, pijn? Jammer dan, hij moet performen”, zei hij in 2013 in een interview met NRC.

Als kleuter al dirigentje spelen

Als de zoon van een dirigent en van een operazangeres groeide Mariss Jansons (Riga, 14 januari 1943) op in een artiestengezin. Zijn moeder nam hem mee naar de repetities in de opera van Riga. Kleuter Mariss speelde thuis dirigentje – en werd het ook. Een muzikale opvoeding, legde hij eens uit, moet je niet vrijblijvend aanbieden; daarvoor is de inzet te cruciaal. „Muziek is voedsel voor de menselijke ziel. Wie genoten heeft van een goede opera of een mooi concert, heeft de volgende dag een opgeladen spirituele batterij. Wie zijn ziel níet voedt met kunst, leidt een leven gevuld met eten, werken en slapen; de matte, primitieve monotonie van een beest. Daarom zeg ik: kunst moet. Alleen dan maak je mensen bewust van hun menselijkheid.”

Lees ook: Een interview met chef-dirigent Mariss Jansons uit 2013: ‘Muziek geneest ons’

Toen vader Arvid assistent werd van de legendarische chef-dirigent Jevgeni Mravinski in Sint Petersburg (toen Leningrad), ging Mariss, 13, er naar het conservatorium. Lange leerdagen brachten hem een discipline bij die zijn ego onderdrukte, maar zijn muzikale talent „deden opengaan als een bloem”. Hij studeerde cum laude af bij Nikolaj Rabinovitsj, van wie hij leerde dat slagtechniek alleen bedoeld is om muziek te maken, niet als expressiemiddel. En hoewel Jansons zijn leerjaren grondig continueerde bij legendarische dirigenten als Hans Swarovsky in Wenen en Herbert von Karajan in Salzburg, bleef je Rabinovitsj’ invloed terugzien. Jansons slag was ingetogen en instrumenteel; het tegendeel van ijdel - net als Jansons zelf. „Muziek, emotie en religie hangen voor mij zeer nauw samen”, zei hij daarover. „Een rijke innerlijke wereld brengt meer geluk dan tien auto’s.”

In 1973 werd Jansons zelf assistent van Jevgeny Mravinski. Die leerde hem onder meer dat je nooit klaar bent met de canon der bekende meesterwerken; je moet die levenslang blijven bestuderen om er steeds weer nieuwe elementen in te kunnen ontdekken. Ook in de zomer gingen in Jansons’ vakantiekoffer altijd partituren mee.

Perfectionisme

Zijn perfectionisme en werkhouding als ‘generaal in de loopgraven’ in plaats van ‘presidentieel adviseur’ zoals een musicus ooit verwoordde, maakten hem geliefd bij de vele orkesten die hij later overal ter wereld zou dirigeren.

Het eerste buitenlandse orkest was dat in Oslo, een aanvankelijk onbekend regio-orkest dat Jansons vanaf 1979 opstuwde tot internationale kwaliteit.

Prille Nederlandse successen boekte hij bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest. „Mariss Jansons is spectaculair: een van de opmerkelijkste dirigenten van deze tijd”, schreef NRC al in 1991. „Puur vakmanschap en zuiver muziekbegrip liggen aan de basis van een magische klankproductie.”

In Pittsburgh was Jansons chef tussen 1997 en 2004. De laatste jaren beperkte hij zich naast de Bayerische Rundfunk in München tot de Wiener en de Berliner Philharmoniker en het Concertgebouworkest. Vorige maand reisde Jansons nog met zijn Münchense orkest naar New York. Daar leidde hij onder meer Strauss’ Vier letzte Lieder – een gedroomd slotakkoord voor een van de grootste dirigenten van onze tijd.