Recensie

Diana Damrau bezingt het leven van begeren tot sterven

Recensie Na een zoekend begin beklimmen sopraan Diana Damrau en pianist Antonio Pappano de trap van betovering in de Vier letzte Lieder van Richard Strauss.

De sopraan Diana Damrau beklom de trappen van betovering
De sopraan Diana Damrau beklom de trappen van betovering ROBERT GHEMENT

Is dit zoiets als de dood? Ist dies etwa der Tod? Die mysterieuze slotregel uit Joseph von Eichendorffs gedicht Im Abendrot zouden we allang vergeten zijn, als componist Richard Strauss de woorden niet op muziek had gezet. Hij leidt ons met zijn verklanking binnen in vervlogen tijden: de wereld ademt vredig. Nergens hoor je dat Strauss zijn eerste noten van dit lied op papier krabbelde nog geen jaar na de Tweede Wereldoorlog, na de nazistische barbarij, na de Holocaust, die zijn geliefde Duitsland en hemzelf verscheurd achterlieten.

Met zijn Vier letzte Lieder - waarvan ‘Im Abendrot’ het sluitstuk is - eindigden sopraan Diana Damrau en pianist Antonio Pappano woensdagavond hun recital in de Grote Zaal van Het Concertgebouw. Aanvankelijk leken de liederen een levenscyclus te weerspiegelen: in Rossini bezong Damrau de adolescenten die elkaar begeren, in Bizet toonde zij hen het genot en de pijn van het beminnen, om zich in drie Strauss-liederen - ‘Einerlei, ‘Meinem Kinde’ en ‘Ständchen’ - tenslotte vertederd te buigen over de vrucht van de liefde.

In de Sieben frühe Lieder van Berg regeerden de nacht en de droom, en de Vier letzte Lieder borduurden op die ongrijpbare atmosfeer voort.

Betoverend

Damrau klonk voor de pauze omzichtig. Voor twee van de eerdere recitals - Wenen en Parijs - had ze eind vorige maand moeten afzeggen. De vier Rossini-liederen leenden zich met hun intieme speelsheid ook niet voor de Grote Zaal; ze verdronken in een kaal klankbeeld. Aan Bizets pastelkleuren kon haar zoekende stem zich beter warmen. Dat gold evenzeer voor de zacht stromende tederheid van Strauss.

Vervolgens beklommen Damrau en Pappano de trap van betovering in een nachtelijke Berg en een nazomerende Strauss. Elk lied was een trede omhoog. Er daalde een stille roes neer over de voordien nog driftig kuchende zaal. De pianoklanken, waarmee Pappano de slotregel van ‘Im Abendrot’ omlijstte, waren van bovenaardse schoonheid.