Zorgconsul: geen fouten rond dood studente Sarah Papenheim

Twee dagen voordat Sarah Papenheim werd omgebracht, had ze nog contact met het wijkteam over Joël S., haar huisgenoot. Haar dood is 'ongelooflijk triest’, maar hulpinstanties zijn niet te verwijten, blijkt uit onderzoek.

Deelnemers aan een stille tocht vragen aandacht voor geweld tegen vrouwen.
Deelnemers aan een stille tocht vragen aandacht voor geweld tegen vrouwen. ANP/Remko de Waal

Er zijn geen fouten gemaakt door hulpinstanties rond de gewelddadige dood van de Amerikaanse studente Sarah Papenheim (21) in Rotterdam vorig jaar. Meldingen over verdachte Joël S. (24) zijn op „zorgvuldige wijze” door het Meldpunt Verwarde Personen en het wijkteam opgepakt. Dat staat in een rapport van de lokale Zorgconsul, een onafhankelijk orgaan dat calamiteiten in de zorg onderzoekt.

Lees ook: Huisgenoot Joël S. hoorde stemmen en stak toen studente Sarah dood

Papenheim werd op 12 december vorig jaar doodgestoken door haar huisgenoot Joël S. in een studentencomplex in de wijk Kralingen. Joël S. heeft complexe stoornissen en was in die periode depressief, suïcidaal en had ernstige hallucinaties. Justitie verdenkt hem van doodslag en eiste deze week tijdens de rechtszaak tien jaar celstraf en TBS. De uitspraak van de rechtbank volgt op 11 december.

Whiskey

Een vriendin van Joël S. zei op vrijdag 7 december vorig jaar tegen het meldpunt dat ze zich zorgen maakte over hem. Hij ging de laatste maanden geestelijk achteruit, dronk vaak whiskey en had gezegd dat hij zichzelf of anderen iets aan wilde doen.

Joël S. was niet bekend bij het meldpunt en kwam niet in gemeentelijke systemen voor. Het meldpunt zag geen „acute dreiging of acuut gevaar” en schakelde niet de politie in.

Er had op diezelfde dag wel een „warme overdracht” naar het wijkteam plaats. Het wijkteam verifieerde bij de politie of het klopte dat Joël S. daar niet bekend was. Ook had het wijkteam die vrijdag persoonlijk contact met Papenheim „bij de woning”. Zij wilde hen niet binnenlaten en wilde ook niet dat Joël S. op de hoogte werd gesteld. Ze zei het wijkteam dat Joël S. overkwam als een fantast en pathologische leugenaar. Papenheim zei ook dat ze dácht dat ze niet in gevaar was. Als studente psychologie herkende ze schizofrenie, zei ze.

Onaangekondigd bezoek

Op maandag 10 december, twee dagen voor Papenheims dood, gingen twee wijkteammedewerkers onaangekondigd langs bij het studentencomplex. Joël S. kwam „coherent en meewerkend” over en zijn woning zag er „netjes” uit. De hulpverleners zagen geen aanleiding om de politie of de crisisdienst in te schakelen.

Papenheim werd geïnformeerd over het bezoek en zei dat de situatie ernstig was. Joël S. had haar gezegd dat hij „seriemoordenaar” wilde worden. Hij sloeg zichzelf met een hamer en wilde wraak nemen op mannen die hem in elkaar geslagen zouden hebben. „It’s time for revenge”, zei hij. Papenheim zei die dag ook tegen de twee hulpverleners dat ze Joël S. niet moesten vertrouwen.

De wijkteammedewerkers vonden dit toch zorgelijk. De volgende dag, dinsdag 11 december, bespraken ze de casus met een collega GGZ-medewerker van een ander wijkteam. Ook deze persoon zag geen acuut gevaar. Afgesproken werd om gezamenlijk binnen een week weer langs te gaan. Maar de volgende dag, 12 december, had de dodelijke steekpartij plaats.

De Zorgconsul noemt het „ongelooflijk triest” dat Papenheim om het leven is gebracht, maar dit zou de instanties niet te verwijten zijn. Beide wijkteammedewerkers hadden „voldoende expertise en ervaring op het gebied van personen met verward gedrag”. De meldingen hebben zij op „zorgvuldige wijze” opgepakt.

Strafdossier

Advocaat Sébas Diekstra, die de moeder van Sarah bijstaat, stelt in een reactie dat zijn cliënt het niet eens is met de conclusies van de Zorgconsul. „De zeer zorgwekkende signalen van een meldster en Sarah, hadden voldoende aanleiding moeten zijn om met spoed een deskundige in te schakelen die wel een diagnose mocht stellen”, aldus Diekstra. „Het personeel dat zich met de melding bezig hield was daartoe niet gekwalificeerd. Zowel Sarah als de meldster hadden aangegeven dat verdachte zei hij zichzelf en anderen wat aan wilde doen, daags later nog dat hij mensen wilde vermoorden en dat het tijd was voor wraak. De moeder stelt vast dat men veel te afwachtend is geweest.”

Diekstra stelt verder vast dat de Zorgconsul geen kennis heeft willen nemen van het dossier in de strafzaak tegen Joël S. Diekstra: „Daaruit blijkt dat de politie had moeten worden ingeschakeld. Dat dat niet is gebeurd is voor de moeder van Sarah onverteerbaar.”

Aanbevelingen

Los van deze casus doet de Zorgconsul wel een aantal aanbevelingen. De gemeenten moet, eventueel met het Rijk, kijken hoe informatiedeling en samenwerking tussen instanties verbeterd kan worden. Wijkteams zouden beter uitgerust kunnen worden met „erkende verwijzers” naar de crisisdienst. Verder moet er meer duidelijkheid komen over de taakverdeling en verantwoordelijkheid van verschillende instanties, zoals het wijkteam en het meldpunt.

Wethouder Sven de Langen (CDA, zorg en volksgezondheid) neemt de aanbevelingen over, zegt hij in een brief aan de gemeenteraad. „De gewelddadige dood van Sarah Papenheim heeft diepe impact”, reageert hij schriftelijk. „Er zijn alleen maar verliezers in deze tragische situatie.”

Vroegtijdig signaleren

De wijkteams in Rotterdam kampen met vele problemen, concludeerde de lokale Rekenkamer vorig jaar in een rapport. Het vroegtijdig signaleren van burgers die hulp nodig hebben ging bijvoorbeeld moeilijk, omdat de teams te weinig tijd hadden om netwerken in wijken op te bouwen. Ook werden de teams te veel belast met regels, doelstellingen en administratieve verplichtingen.

De gemeenteraad van Rotterdam debatteerde afgelopen donderdag over ‘kwetsbare personen’ zoals psychiatrische patiënten. Aanleiding was onder meer een dodelijke steekpartij in een serviceflat in Hoogvliet deze maand. Een 50-jarige patiënt van een zorginstelling bracht hierbij een 62-jarige bewoner om het leven.

De gemeenteraad nam een motie aan om een quotum in te stellen voor bewoners met psychiatrische- of verslavingsproblemen in ouderenflats. Ook is het college per motie verzocht onderzoek te gaan doen of thuiswonende mensen met complexe problematiek wel genoeg zorg krijgen.

De zorgorganisatie BuurtzorgT gaat psychiatrische patiënten die nu nog door wijkteams worden behandeld sneller naar een psycholoog of psychiater van een ggz-instelling doorsturen, stond deze week verder in het AD Rotterdams Dagblad.