Recensie

Recensie

Onno Bloms nieuwsgierigheid naar de jonge Rembrandt

Rembrandt Er is bar weinig bekend over de jonge Rembrandt. Onno Blom ging op speurtocht. Door onze medewerker
Rembrandt, zelfportret, rond 1628
Rembrandt, zelfportret, rond 1628 Beeld Rijksmuseum

In meer dan duimdikke letters staat de naam van de auteur op het omslag, even groot als de titel De jonge Rembrandt. De beroemde schilder kijkt ons met licht ironische blik van hetzelfde omslag aan, 26 jaar oud, vlassig snorretje en mouche, witte kraag. Wie het boek omdraait krijgt het hoofd van de auteur, eveneens vlakvullend, in zelfbewuste pose, het witte overhemd open tot op het tweede knoopje. Biograaf van Jan Wolkers meets de portrettist van Jan Six. Een auteur heeft doorgaans weinig te zeggen over het omslag – hier kreeg de uitgever een briljant idee, dat hij beter onuitgevoerd had kunnen laten. Want met dit type pretenties wil je een auteur liever niet opzadelen.

Of toch? In zijn proloog vertelt Onno Blom (1969) hoe hij al sinds zijn jeugd op allerlei manieren met Rembrandt in aanraking kwam, en ook op dezelfde school zat als de beroemde molenaarszoon: ‘Al die toevallige ontmoetingen voedden de fascinatie van de ene Leidse jongen voor die andere Leidse jongen.’

Als dat maar goed gaat.

De jonge Rembrandt heeft een nogal misleidende ondertitel ‘een biografie’, omdat het boek zich concentreert op de periode tussen Rembrandts geboorte in 1606 en het jaar dat hij Leiden verlaat en zich definitief in Amsterdam vestigt, omstreeks 1631. Hij is dan al een succesvol en beroemd schilder, maar heeft nog 38 jaar te leven, en veel van zijn grote meesterwerken komen in Amsterdam tot stand.

Mysterieuze jeugd

Over Rembrandts Leidse jaren een coherent verhaal vertellen is nauwelijks mogelijk, want er is bar weinig over bekend. Er zijn wat archivalische gegevens, een paar brieven en er zijn enkele tijdgenoten die bewonderend over Rembrandt hebben geschreven. En er is het werk: tekeningen, schilderijen, de eerste etsen.

Blom is geen Rembrandt- of zeventiende eeuw-specialist, en hij moet het vooral hebben van zijn nieuwsgierigheid. Hij gaat in Leiden op zoek naar de plekken waar Rembrandt heeft gewoond, gestudeerd en gewerkt. Hij stelt daarbij goede vragen, waarop helaas maar zelden een eenduidig antwoord mogelijk is.

Zo gaat Blom ook het werk van Rembrandt te lijf, maakt daarbij dankbaar gebruik van wat door kunsthistorici al is uitgezocht, en gaat vaak net iets verder in zijn suggesties hoe het fenomeen Rembrandt ontraadseld kan worden. Het zijn suggesties die het vak waarschijnlijk niet verder zullen helpen, maar deze frisse blik ontrukt Rembrandt wel aan de houdgreep van de vakspecialisten. De besproken werken zijn bovendien mooi afgebeeld.

Bij gebrek aan concrete gegevens belandt Blom nogal eens in lange en wat schoolse uitweidingen over bijvoorbeeld het Beleg van Leiden (1573-1574), meer dan dertig jaar voor Rembrandt geboren werd, of over de Leidse universiteitsbibliotheek, met als conclusie: ‘Rembrandt zal niet veel in de bibliotheek zijn geweest. Misschien zelfs nooit.’

Pedant

Wat onhandig wordt het bij het aanhalen van een van de mooiste bronnen over de jonge Rembrandt, een uitgebreid verslag van Constantijn Huygens (1596-1687) over zijn atelierbezoeken aan de nog baardeloze schilder en diens vriend Jan Lievens. Huygens ziet de grote belofte en geeft prachtige details, maar kan op weinig dankbaarheid rekenen van de eenentwintigste-eeuwse biograaf. Huygens wordt bombast aangewreven en zou vanwege zijn vele capaciteiten ‘meer dan een tikkeltje pedant zijn geweest’. Hmm. De toon wordt hier onnodig denigrerend, om niet te zeggen pedant.

‘Het’ boek over leven en werk van Rembrandt is vooralsnog het ongekend rijke en eigenwijze De grote Rembrandt van Gary Schwartz uit het vorige herdenkingsjaar 2006. Dat juist een vriendelijke quote van Schwartz het achterplat van Bloms boek opfleurt, doet daar niets aan af.