Recensie

Recensie Theater

Kasper van der Laan fascineert oneindig

Cabaret Zijn roem was hem al vooruitgesneld: Kasper van der Laan zou de cabaretsensatie van het jaar worden. Zoiets schept natuurlijk verplichtingen, maar Van der Laan komt die royaal na.

Kasper van der Laan
Kasper van der Laan Foto Anne van Zantwijk

Toen Kasper van der Laan, bepaald geen broekie meer, in 2018 de Publieksprijs van het Leids Cabaretfestival won, stond als een paal boven water dat zijn debuutvoorstelling een hit zou worden. De man heeft iets wat oneindig fascineert: een knuffelbeerachtig uiterlijk met rossige baard en woeste haardos – een dude die zo uit de film The Hangover lijkt weggelopen – een tikkie hoge stem, een beweeglijk en lang lichaam dat van rubber lijkt en een geest die alle kanten op gaat, hij is onvoorspelbaar. En alles is tot in de puntjes uitgekiend natuurlijk. Het is bij momenten zoiets als kijken naar landschapsschilder Bob Ross, inclusief de bezwerende zinnetjes die rechtstreeks uit een therapiepraktijk lijken te komen (‘Wat zeggen we dan? Fouten maken mag!’), je raakt licht bedwelmd en kunt niet meer stoppen met kijken. En met lachen.

In 1 Kilo opent hij met een cabaretcliché van jewelste om ons op het verkeerde been te zetten, namelijk ‘Het gaat niet goed met de wereld’ en hij begint over ‘a climatechange’, maar dit gespeelde engagement wordt meteen de das om gedaan. Het is helder: het gaat bij hem over van alles en vooral over niets. Het is het absurdisme dat hoogtij viert, geen onderwerp is te klein of te nietig: de makke van een 20-denierpanty, het perfecte liefdeskoppel Danny en Sandy uit de film Grease, het gebruik van het woord ‘pardon’ in plaats van ‘sorry’ om je zin te krijgen en de sores van je billen afvegen.

Lees ook: Kasper van der Laan is sensationeel grappig (en onbekend): ‘Ik ben een zachtaardige cabaretier’

20-denierpanty

Vaker gaat het over sexappeal en over de ideale eigenschappen die een man voor een vrouw moet hebben. Hij kent ze allemaal, maar het staat buiten kijf dat Van der Laan zelf niet voldoet aan al die gewenste eigenschappen. Hij positioneert zich succesvol als een lieve sukkel, een man die over zich heen laat lopen. Een man ook die op zondagmiddag het liefst zwart-witpoeder likt terwijl hij met zijn vriendin in bed ligt, maar zich uiteindelijk om aan haar verlangens tegemoet te komen in diezelfde slaapkamer in een (inderdaad) 20-denierpanty hult. Deze scène ontspoort totaal, het is waanzin en genialiteit tegelijkertijd, en op zo’n moment lijkt hij nog het meest op de Hollandse grootmeester van het absurdisme Toon Hermans.