Recensie

Recensie Boeken

Ontvoerd door een terreursekte

Edna O’Brien Om erachter te komen wat de brute terreursekte Boko Haram meisjes en vrouwen heeft aangedaan sprak Edna O’Brien met hen in Nigeria. Ze comprimeerde de seksuele gruwelen in de schokkende roman Meisje.

De president van Nigeria met een groep meisjes die bevrijd zijn uit handen van Boko Haram, 2018.
De president van Nigeria met een groep meisjes die bevrijd zijn uit handen van Boko Haram, 2018. EPA

De roman heet Meisje. Een titel die te simpel lijkt, hij past op duizenden romans. Maar hier is de uiterste soberheid geboden. Want hier fictionaliseert Edna O’Brien (1930) iets dat eigenlijk ongeschikt is voor de verbeelding aangezien die nooit op kan tegen de werkelijkheid: het lot van de meisjes die op 15 april 2014 uit hun school in Chibok werden ontvoerd door Boko Haram, de islamitische terreursekte die al jaren bezig is Nigeria fysiek en mentaal te ruïneren.

Maar O’Brien, sinds decennia Ierlands grootste romanschrijver, las over deze meisjes en wilde schrijven opdat wij lezen. Geweld tegen vrouwen met religie en machistisch gekwezel als excuus is een van haar voornaamste onderwerpen. In haar vorige roman De rode stoeltjes spon ze zo’n verhaal rond de Servische oorlogsmisdadiger Karadzic.

Bloedklonters

Met Meisje neemt ze een ander pad. Ze reisde door Nigeria en sprak met slachtoffers. Ze zoog hun verhalen op en spuwt ons die met deze roman in het gezicht. Ze zoekt de verbeelding niet meer in de feiten, maar in het schrijven. In stijl, in compositie, in associaties. Nooit ‘mooi’, minimaal, maar zo doeltreffend dat het blijft kleven en stinken. Zoals de anderhalve bladzijde die ze wijdt aan de eerste, georganiseerde, groepsverkrachting waarmee Boko Haram de meisjes hun plaats wijst. Ze worden om de beurt door de ‘strijders’ genomen, ruggelings op een tafel, boven een emmer. De zinnen zijn onverdraaglijk: ‘Ik was als derde aan de beurt’ staat er, en één alinea verder: ‘Het duizelde me toen ik opstond. Bloedklonters vielen in de emmer.’ Zo word je ingewreven wat je niet wilt weten: hoe de meisjes lichamelijk worden genomen en geestelijk vermoord: ‘Ik stierf en stierf ook niet’.

In de volgende alinea doet O’Briens brille zich gelden. Ze beschrijft het laatste wat je verwacht: dat de meisjes zich na afloop van het geweld voor elkaar generen – waarmee ze ruimte maakt voor een sprankje menselijkheid. Ongeloofwaardig? Nou nee, eerder een aanwijzing voor O’Briens verbijstering over wat ze te verstouwen kreeg. Sommige details zijn zo onwaarschijnlijk, dat ze wel waar móeten zijn. De jihadist die praat met zijn baard of de politiechef die Dickens’ Great Expectations leest – het heeft geen zin om te denken: dat kan niet. Niks ‘kan’ wat we hier lezen, maar we hebben geen keus. En het is niets vergeleken met het meest onwaarschijnlijke van alles: dat er meisjes zijn die het overleven.

Jihadbruid

O’Brien smeedde hen tot één veelkoppig meisje, in wie de herinneringen, angstvisioenen en dromen van velen zijn samengekneed. Dat pakt niet altijd goed uit. Die ene ‘ik’ moet zoveel opknappen, ze wordt een aaneenschakeling en geen consistente figuur.

Alles in Meisje is terug te leiden naar brute desinteresse voor vrouwen, die als seksslavin, als jihadistenbruid, op de vlucht en als overlever stelstelmatig worden misbruikt. En altijd wordt de ‘ik’ weer weggedaan. Door de regeringsleider die haar voor propaganda inzet, door haar familie, door de kloosterzusters. Het stigma van seksueel misbruik vaagt steeds al het andere weg.

Tot slot worden we beloond met een literair bidprentje: meisje, kind, rust, natuur. Ongeloofwaardig, maar we nemen het gretig aan.