Opinie

De applausmeter meet meer dan decibellen

Luuk van Middelaar

Zeven minuten applaus kreeg Annegret Kramp-Karrenbauer vorige week op het CDU-congres in Leipzig. Zeven minuten, na een saaie rede. De spanning zat aan het slot. ‘AKK’ daagde haar rivalen uit om het partijleiderschap terstond te betwisten, maar zij zwegen en mikken op de volgende ronde. Toen volgde het geklap waarmee de CDU’ers in de zaal Kramp-Karrenbauers gezag verstevigden. Ondanks haar zwakke eerste jaar houdt zij zo alle kans om Angela Merkel in 2021 op te volgen als CDU-lijsttrekker en, wie weet, bondskanselier.

In de Duitse politiek meten de applausmeters niet de decibellen, zoals in het Britse Lagerhuis de strijd tussen the Ayes en the Noes soms op volume wordt beslecht. Evenmin tellen ze hoe vaak applaus een rede onderbreekt, zoals bij de State of the Union van een Amerikaanse president. Het draait om de duur, de tijd waarin de handen op elkaar gaan en de spanning na een lange zit – anderhalf uur vroeg AKK van haar gehoor – wordt ontladen.

Zeven minuten is lang. Probeer thuis maar. Voor CDU-partijcongressen is het gewoon. Merkels gemiddelde stond na twaalf partijredes op 7,7 minuten. In december 2015, met de CDU zwaar verdeeld over de vluchtelingencrisis en zijzelf onder vuur, kreeg Merkel negen minuten applaus. In 2012, vlak voor ze met 97 procent van de stemmen tot partijleider werd herkozen: acht minuten.

Ook als publiek in theater of concertzaal ervaren we hoe de ovatie na afloop een collectieve ontlading biedt – enthousiasme, dankbaarheid, hulde. Fascinerend is applaus dat even wegzakt en dan weer aanzwelt, alsof het publiek voelt: dit was te kort, ze verdienen meer. ‘Klateren’ kan applaus ook, als water in een bergbeek, stroomafwaarts. En dan stopt het. Niemand weet waarom, maar ineens is het op. De spanning weggeklapt. Acteurs of musici weten uit ervaring dat nog een keer buigen of ten tonele verschijnen dan te veel van het goede zou zijn. Zo kan ook de politicus een ovatie wegwimpelen. „Dank, maar nu is het genoeg.” Maar wat als er niemand op het podium staat?

Daarover vertelt Solzjenitsyn in De Goelag Archipel een ijzingwekkende anekdote. Het is 1937, op een districtsconferentie wordt de verre kameraad Stalin geëerd met een verklaring. Uiteraard breekt een oorverdovend applaus los: „Drie minuten, vier, vijf, maar de handen doen al zeer. [...] De ouderen raken buiten adem. Het wordt ondraaglijk, zelfs voor wie Stalin oprecht vereert. Maar: wie zal het wagen als eerste op te houden? [...] In het obscure zaaltje wordt geklapt, zonder dat de grote leider het weet, zes minuten! zeven minuten! acht minuten! [...] Achter in het zaaltje, in het gedrang, kunnen ze nog een beetje smokkelen, wat langzamer klappen, niet zo hard, niet zo verwoed, maar bij het presidium, voor het oog van ieder?! […] Terwijl ze elkaar vagelijk aankijken met flauwe hoop, maar intussen op hun gelaat geestdrift laten weerspiegelen, zullen de districtsleiders blijven klappen tot ze erbij neer vallen. Als de elfde minuut verstrijkt, zet de fabrieksdirecteur een ernstig gezicht op en laat zich op zijn stoel vallen. En – o, wonder! – allen houden tegelijk bij dezelfde handklap op en gaan óók zitten. De ban is gebroken! […] Maar aan zulke daden worden onafhankelijke geesten herkend. Diezelfde nacht nog wordt de fabrieksdirecteur gearresteerd.”

Klappen voor een afwezige leider is even onnatuurlijk als spelen voor een lege zaal. De band tussen publiek en podium ontbreekt. Spelers en sprekers die zelf applaus in ontvangst nemen, stellen zich ook bloot aan gefluit of gejoel. Terwijl totalitaire macht à la Stalin oneindig is, blijft democratisch gezag – ook met een minuutje meer of minder – altijd wankel.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof en hoogleraar Europees recht (Leiden).

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.