Interview

Het internet is stuk, maar we kunnen het repareren

Interview | Marleen Stikker Het internet kan nog gered worden van de dystopische afslag die het heeft genomen, schrijft Marleen Stikker in haar nieuwe boek. „We hebben de plofkippen ook uit de schappen gekregen.”

Er is een ander internet mogelijk. Met die boodschap in het hoofd begon internetpionier Marleen Stikker vorig jaar haar eerste boek te schrijven. Want het lijkt soms alsof er geen alternatief is voor wat wij nu aantreffen als we online gaan. Alsof het inherent is aan internet dat gebruikers moeten betalen voor gratis diensten met hun privacy, alsof de privacyschandalen, het nepnieuws, de monopolies, de oplichters, de fraude, de polarisering en de manipulerende algoritmes nu eenmaal onherroepelijk bij internet horen.

Maar dat is niet zo. Stikker weet het als geen ander. Toen ze in 1993 De Digitale Stad oprichtte, een virtuele gemeenschap die wordt gezien als voorloper van sociale media en de huidige webbrowsers, bouwden zij en haar metgezellen aan een ander internet gebaseerd op democratische principes, een publieke ruimte waar mensen elkaar konden ontmoeten zonder genudged, geprofileerd, getrold en gegamificeerd te worden. Stikker wilde in haar boek uitleggen dat het internet van nu is ontworpen, en dat het niet te laat is om het ontwerp aan te passen.

Dat boek ligt er nu. En hoewel het een verontrustende titel heeft - Het internet is stuk – koos ze een hoopvolle ondertitel: Maar we kunnen het repareren. Stikker blikt in het boek terug op hoe internet eruit zag voordat de grote techbedrijven er de dienst gingen uitmaken, analyseert wat er misging en roept op tot actie: wij allemaal zullen onze handen uit de mouwen moeten steken als we een humane digitale toekomst willen.

Want door onszelf te omringen met technologie die onze soevereiniteit ondermijnt, hebben we zelf het huidige internet mogelijk gemaakt, betoogt Stikker. Ze gebruikt bewust het woord soevereiniteit, en niet privacy. „Privacy wil zeggen dat alles over je bekend is, terwijl soevereiniteit meer omvat. Het gaat om zelfbeschikking, om bedrijven en politieke spelers die proberen in te grijpen in onze denkwereld, vat proberen te krijgen op onze politieke overtuigingen en ons handelen.”

We hebben de plofkippen ook uit de schappen gekregen, zo kan het ook met invasieve technologie gaan.

Als we daar zelf voor verantwoordelijk zijn, kunnen we er ook zelf iets aan doen. Moet een iPhone, Facebook en Google gebruiken net zoiets worden als vliegen en vlees eten?

„Ik zeg niet dat mensen zich moeten gaan schamen. Ik kan niet eens beweren dat het mij lukt geen van die diensten te gebruiken. Maar ik zie die schaamte wel bij veel mensen ontstaan. Het ongemakkelijke gevoel vast te zitten aan diensten die je bespioneren, het gevoel het normaal te moeten vinden dat je hele omgeving wordt volgehangen met camera’s, om maar een voorbeeld te noemen. En ik denk dat mensen een uitweg uit die situatie kunnen vinden door actief bij te dragen aan nieuwe ontwikkelingen. Het gaat om kleine stappen. We hebben de plofkippen ook uit de schappen gekregen, zo kan het ook met invasieve technologie gaan.”

En tegelijk schrijft u dat individuele actie niet genoeg is, maar het hele systeem moet veranderen.

„Ik trek vaak de analogie met het voortbestaan van de mensheid op deze planeet, wat ook geen kleinigheidje is. In de milieubeweging zie je ook dat de mogelijkheden die mensen in hun eigen leven hebben ertoe doen. Dat als mensen collectief anders gaan handelen systemen kunnen veranderen.

Facebook veinst nog altijd ‘goede bedoelingen’. Vier mythes over de inforeus. Lees ook: De hippiemythe rond Facebook brokkelt in rap tempo af

„Tegelijk ben ik ervoor beducht te suggereren dat het probleem is opgelost als je van Facebook afstapt en je leven ont-Googlet. Omdat je daarmee niet de onderliggende dynamiek verandert.

„Bovendien staat die onderliggende dynamiek ook niet op zichzelf. Als je nadenkt over hoe we internet kunnen repareren kom je processen tegen die we kennen uit de strijd tegen fossiele brandstoffen: het draait in beide gevallen om bedrijven die de echte kosten van hun product afwentelen op de maatschappij. En daarom denk ik ook dat de strijd voor een duurzame, rechtvaardige economie en samenleving parallel loopt aan de strijd voor een beter internet.”

Wat kúnnen mensen zelf doen voor een betere digitale toekomst?

„Als je een professionele rol hebt kun je je eigen organisatie bevragen. Zeventig procent van de scholen gebruikt Google en Gmail. Als ik een leerkracht was zou ik mijn directie aanspreken en zeggen: zullen we dat even niet doen? Organisaties kunnen een grotere stap zetten dan jijzelf.

„En ik denk dat het prettig is voor mensen om meer te weten over technologie. Zodat ze zich minder slachtoffer hoeven te voelen van krachten om hen heen, maar ook om bewust te worden van de beschikbare, privacy-vriendelijke alternatieven. Je kan Brave gaan gebruiken in plaats van Google, Mastodon in plaats van Facebook. Je kan besluiten niet meer in te loggen op websites via je Facebookaccount. Er zijn genoeg alternatieven waarmee je je stap voor stap kunt terugtrekken.

„Maar de bottom line is dat dit eigenlijk niet nodig zou moeten zijn. Het is absurd dat als je de supermarkt ingaat je ervan op aan kunt dat er een heel proces van voedselveiligheid heeft plaatsgevonden voordat een product in het schap belandt, maar als je de appstore open klikt weet je bijna zeker dat er dataroof plaatsvindt.”

Marleen Stikker in Zomergasten.

U laat in het boek zien dat de eerste internetpioniers vijfentwintig jaar geleden al waarschuwden voor de macht van grote bedrijven en overheden op internet. Was het frustrerend om te zien dat er niet naar hen werd geluisterd?

„Ja, enorm. Er was een hele brede beweging die liet zien dat de keizer geen kleren aan heeft. Mensen die het dominante idee aanvochten dat technologie een oplossing is voor alles en geen haarbreed in de weg mag worden gelegd. Zoals Rop Gonggrijp, die liet zien dat we stemcomputers niet kunnen vertrouwen. En nog steeds hoor je mensen vaak zeggen dat het toch wel moet kunnen met die stemcomputers.”

Had u het gevoel dat er weinig mensen luisterden naar die kritiek?

„Kijk, Nederland is een heel pragmatisch land. We kunnen veel tolereren zolang het onze handel niet in de weg zit. Technologiekritiek paste toen internet iets nieuws was niet in het dominante narratief dat we vooruit moesten in de vaart der volkeren. Mensen waren alleen maar bezig met waarde en niet met waarden op internet. Het was de tijd dat elke talkshow een jonge startupper aan tafel wilde. Je zag telkens dezelfde scène op tv: een opgewonden jonge gast met een hoodie, want techpioniers dragen nu eenmaal altijd hoodies, aan wie een presentator als Matthijs van Nieuwkerk hoopvol vraagt: ‘Heb je al miljoenen verdiend?’. Misschien was die schaamteloosheid om eindelijk geld te mogen verdienen ook wel enorm bevrijdend, want we zijn daar in Nederland altijd erg bescheiden in geweest.”

U noemt De Digitale Stad als voorbeeld van hoe het anders kan, een plek waar de publieke ruimte wél gewaarborgd was. Was De Digitale Stad eigenlijk een democratie?

„Nee, het was een stichting. Dus vond de besluitvorming plaats in die rechtsvorm. Daar werd flink over gediscussieerd, omdat de bewoners meer zeggenschap wilden en zelf het bestuur wilden kiezen. Maar het was al zo moeilijk om het initiatief financieel overeind te houden dat we niet toekwamen aan deze soms terechte bezwaren.

„Inmiddels heb ik zicht op heel andere modellen die je zou kunnen gebruiken om zo’n collectief te beheren. Als ik opnieuw een Digitale Stad zou maken, een publiek alternatief voor navigeren en communiceren op internet, zou ik hem inrichten op basis van het principe van de ‘commons’. De Amerikaanse nobelprijswinnaar voor de economie Elinor Ostrom heeft over de hele wereld bestudeerd hoe voor de hele gemeenschap toegankelijke hulpbronnen worden beheerd, zoals een gezamenlijke weidegrond of visgronden. Daaruit destilleerde ze acht regels die je kunt gebruiken om zo’n ‘commons’ te ontwerpen. Het gaat bijvoorbeeld om duidelijke grenzen stellen en transparantie inbouwen over de aanpassingen die worden gedaan. Rondom open source-technologie heb je allerlei van zulke modellen, zoals het besturingssysteem Linux. Dat zijn open structuren waaraan je vrij kan deelnemen, maar je kan niet zomaar in de kern gaan prutsen. Het is geen anarchie, als je wilt meedoen zijn er mogelijkheden om bij te dragen. Het mooie is dat als je mensen zelf verantwoordelijkheid geeft voor de plek waar ze zich begeven, ze zich meestal ook verantwoordelijker gaan gedragen. Als je een nieuwe Digitale Stad gaat bouwen zou je ook de prioriteiten van wat je gaat ontwikkelen door zo’n gemeenschap kunnen laten bepalen.” Stikker kijkt omhoog, en zegt: „Het zou eigenlijk best aardig zijn om dat te gaan doen.”