Hoe de PvdA de veren van Rutte II afschudt

PvdA Na de historische verkiezingsnederlaag van 2017 moest de PvdA breken met het kabinet-Rutte II om weer te groeien. Nu denkt de partij weer aan regeren.

Lodewijk Asscher in november bij een PvdA-bijeenkomst.
Lodewijk Asscher in november bij een PvdA-bijeenkomst. Foto Jeroen Jumelet/ANP

Lodewijk Asscher staat in de Goudse boekhandel Verkaaik. Achter hem hangt een poster van het kinderboek Het leven van een loser. Het is een maandagavond in de herfst, en het is helemaal niet zo lang geleden dat zo’n beeld de treurnis van de PvdA zou hebben bevestigd. Maar een loser? Dat is Asscher niet meer, in de peilingen groeit zijn partij – in sommige is de PvdA zelfs de op één na grootste.

Wat het misschien wel laat zien: hoe snel kiezers hun afkeer kunnen verliezen. Het is nog maar tweeënhalf jaar geleden dat ze de PvdA genadeloos afstraften (29 zetels verlies) voor de bezuinigingen in het kabinet-Rutte II, met de VVD. De PvdA schudt nu de ene na de andere veer van dat kabinet van zich af. Het was tóch een slecht idee om de sociale werkplaatsen te laten uitsterven, de AOW-leeftijd steeg tóch te hard, het leenstelsel voor studenten was tóch niet zo rechtvaardig. En dit najaar keerde de PvdA zich alsnog tegen CETA, het handelsverdrag van de EU met Canada, dat PvdA’er Lilianne Ploumen (nu Tweede Kamerlid) als minister voor Ontwikkelingssamenwerking nog hartstochtelijk had verdedigd.

De grote draai begon vorig jaar, kiezers beloonden de partij al voorzichtig bij de Provinciale Statenverkiezingen in maart – in de Eerste Kamer viel het verlies mee. De grote klap kwam drie maanden later bij de Europese verkiezingen: met Frans Timmermans als lijsttrekker werd de PvdA opeens de grootste partij.

Het zelfvertrouwen lijkt terug

Het was voor de Tweede Kamerleden even wennen, hoe zelfverzekerd konden ze zijn? Ze waren beducht voor het oude imago van arrogante bestuurderspartij. Sinds de zomer lijkt het zelfvertrouwen weer helemaal terug. Lodewijk Asscher stelt stevige eisen aan het kabinet, bijvoorbeeld extra geld voor het onderwijs, en voelt scherper aan dan GroenLinks-leider Jesse Klaver dat de 460 miljoen euro die het kabinet vorige maand regelde voor de leraren lang niet genoeg was. Asscher moest ook niets hebben van de eensgezindheid die overheerste in de Tweede Kamer bij de Algemene Politieke Beschouwingen. „Onbegrijpelijk”, zei Asscher tegen NRC. „De mensen met wie het wat minder gaat, hebben níks aan eensgezindheid als hun lonen niet stijgen. Ik respecteer dat de coalitie andere keuzes maakt, ik vind mijn keuzes beter.”

Bij de leraren heeft Asscher wellicht een goede beurt gemaakt, politiek is zijn positie niet per se veel sterker geworden. In de Tweede Kamer staat hij er nu zo goed als alleen voor. Jesse Klaver heeft al bij voorbaat de steun van GroenLinks aan het kabinetsbeleid toegezegd. En wie heeft het nog over de SP?

Asscher kan nu wel dé oppositieleider worden en het ‘linkse gezicht’ bij de verkiezingen van 2021. Dat dit nog niet is gelukt, zal ook komen omdat Asscher van nature geen oppositiepoliticus ís. Hij was raadslid en wethouder in Amsterdam toen de PvdA daar nog als vanzelfsprekend de grootste was en de stad bestuurde. Hij kwam als vicepremier naar Den Haag toen de PvdA 38 Tweede-Kamerzetels had en dus meedeed aan het kabinet. Kon Asscher dat wel, een marginale oppositiepartij leiden?

Lees ook dit profiel uit 2016: Verliezen? Nee, daar rekent Asscher niet op

Kiezers vergeten fors verlies

Wat hem helpt, zegt Asscher in de boekhandel in Gouda, is de les die oud-CDA-leider Sybrand Buma hem leerde. Onder Buma’s leiding ging het CDA naar een historisch dieptepunt van twaalf zetels in de Tweede Kamer. Maar, zei Buma tegen Asscher: „Het CDA is in de hoofden van mensen altijd een grote partij gebleven.” Dat is ook zo bij de PvdA, denkt Asscher. Eén keer zo’n fors verlies – dat zijn kiezers zo weer vergeten.

Dan moet je je misschien ook wel als bestuurlijke partij blijven gedragen. En dus als oppositiepartij ook méépraten. Tweede Kamerlid Henk Nijboer noemt dat „inhoudelijke oppositie”. De hand uitsteken naar het kabinet, eisen stellen voor samenwerking. En als daar niet aan wordt voldaan, keer je je weer fel tegen het kabinet. De PvdA stemt volgende week zo goed als zeker tegen de onderwijsbegroting, de partij bleef wel het pensioenakkoord steunen toen bleek dat er vooralsnog geen kortingen komen.

Kiezers lijken dat te waarderen. In de Peilingwijzer, een gewogen gemiddelde van vier peilingen, scoort de PvdA ongeveer zes zetels meer dan de partij nu heeft. Die potentiële ‘nieuwe’ kiezers zijn vooral spijtoptanten, blijkt uit kiezersonderzoek van I&O Research: 80 procent van hen stemde voor 2017 al vaker op de PvdA. In dat jaar kozen ze voor D66, GroenLinks of de SP, nu komen ze terug. Dat komt volgens de onderzoekers ook door Asscher, die door kiezers wordt omschreven als „stabiel, zelfbewust, betrouwbaar en standvastig”.

Aboutaleb en Timmermans

Maar de 15 zetels uit de Peilingwijzer zijn een schijntje van wat de partij vroeger had. Alleen in de peiling van Maurice de Hond zit de PvdA (20 zetels) de VVD op de hielen (24), bij EenVandaag peilt de partij op 13 – slechts vier meer dan nu. Kiezersonderzoek naar premierskandidaten plaatst Asscher na Rutte, maar óók na partijgenoten Ahmed Aboutaleb en Frans Timmermans – al wordt in de partij uitgesloten dat zij naar Den Haag gaan. „Als Asscher echt mee wil doen om het premierschap, moet hij snel een scherpe visie ontwikkelen”, zegt iemand uit de partijtop. „Waar wil hij over tien jaar staan?”, vraagt een andere betrokkene, die lang voor de partij op het Binnenhof werkte, zich af.

Asscher zocht lang naar ideeën. Hij flirtte rond de verkiezingen met een ‘progressief pattriotisme’: een wat dubbelzinnig pleidooi dat progressieve waarden met nationale trots moest verbinden. Ná de verkiezingen had hij het er niet meer over. Een jaar geleden kondigde Asscher een scherper migratiestandpunt aan. Hij zou met een essay komen en de partij zou discussieavonden organiseren – ze kwamen er allebei niet. Intussen zet de partij al een poosje in op ‘bestaanszekerheid’ als belangrijkste waarde. Mensen moeten ‘zeker zijn’ van een betaalbaar huis, een zekere baan en goede zorg.

De grote nadruk op ‘bestaanszekerheid’ was in 2017 één van de adviezen van Paul Depla. Hij evalueerde de nederlaag van dat jaar en constateerde dat de PvdA „de spreekbuis [kan] worden voor de maatschappelijke beweging die de bestaanszekerheid in de huidige samenleving wil versterken”. Asscher luisterde en een marketeer bouwde er een campagne omheen.

‘Compromis werd doel op zich’

De gestage groei bevalt PvdA’ers beter dan een grote sprong voorwaarts. Zo ging het in 2012, toen de partij onder leiding van lijsttrekker Diederik Samsom in een paar maanden van een handjevol zetels in de peilingen als tweede partij van het land eindigde, na de VVD. In de peilingen was de PvdA die winst al snel weer kwijt, en die zetels kwamen niet meer terug.

Dat kwam volgens Asscher omdat PvdA’ers „te weinig schetsten waarom we in het kabinet met de VVD compromissen sloten”, zegt hij op het avondje in Gouda. Hij is er om zijn boek Opstaan in het Lloyd Hotel te promoten. Als het schrijven daarvan hem één ding leerde, is het dat: „Het compromis werd een doel op zich, we lieten niet zien naar welke betere samenleving ze moesten leiden.”

En toch, ondanks de pijn van het regeren en ondanks het hervonden geluk in de oppositie blijft de PvdA een bestuurderspartij. In Den Haag wordt op de partij gerekend bij de kabinetsformatie na de verkiezingen van 2021. In Gouda, aan het eind van de avond, zegt Asscher: „Met negen zetels moeten we de sociaal-democratische beweging hooghouden. Maar ik ben ook een machtspoliticus: het is beter als we in het kabinet zitten. Dromen realiseren en fouten maken is beter dan aan de zijlijn staan.”

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie NRC Haagse Zaken: Hoe de PvdA weer ontwaakt

U kunt zich ook abonneren via Apple Podcasts, Stitcher, Spotify, Castbox of RSS.