Opinie

Norovirus

Marcel van Roosmalen

Het ziekenhuis van Arnhem belde of iemand de vuile was van mijn moeder eens wilde komen ophalen. De vuile was ... daar had ik tweehonderd kilometer verderop dan nog niet over nagedacht. Ik dacht nog heel ouderwets, iemand zei ‘naïef’, dat alles wel voor je geregeld wordt in een ziekenhuis.

Niet dus.

Mijn moeder lag inmiddels in quarantaine.

Op een kleine kamer van de afdeling geriatrie, met een echte Arnhemmer in ongeveer dezelfde toestand, die ondanks een waarschuwingsbordje op de deur wel bezoek krijgt.

En veel ook.

Maar die overlast is van korte duur weten we inmiddels: iedereen die er binnenkomt gaat hoe dan ook voor de bijl.

Een verpleger over de besmettelijkheid van het norovirus: als je het ruikt, dan is het te laat, dan heb je het al.

En geloof mij: je ruikt het, mondkapje of geen mondkapje.

De klachten: braken en acute diarree.

Ze hielden haar dan ook via camera’s, vanachter een beeldscherm, in de gaten.

Als ik wilde mocht ik ook meedenken over het medisch vraagstuk waar de artsen zich over bogen: de helse pijn van haar verbrijzelde schouderblad kon worden bestreden, maar van de toegediende medicijnen bleef ze dan wel in een hallucinante toestand.

Mijn zus, telkens weer mijn zus, ging er, omdat ze nu eenmaal het grootste hart heeft en het dichtste bij woont, toch maar weer naar toe met stapels schoon nachtgoed. Ze pulkte de baal aan elkaar gekoekte vuile was uit een kledingkast, propte het in een vuilniszak en reed ermee naar de wasmachine in het ouderlijk huis, waar mijn broer al was geweest om de koelkast te ontruimen.

En ja toen rook ze het dus wel.

Zij, haar man en hun kinderen waren een dag later geveld, zoals de vriendin na ons laatste bezoek ook geveld was.

Het goede nieuws is dat mijn broer en ik vooralsnog immuun lijken te zijn, maar dat kan in mijn geval ook komen omdat mijn moeder me bij mijn laatste bezoek niet echt herkende en afstand wilde houden.

Niets gemakkelijker om dan zelf ook maar even op afstand te blijven, maar met zo’n houding zet je de verhoudingen wel op scherp.

Iemand zei: „Ja, dat zouden we allemaal wel willen.”

Wat overheerst is een dubbel gevoel: er wordt op mij gerekend, maar niemand zit op mij te wachten.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.