Een wereldwijf was ooit een hoer

Ewoud Sanders

Woordhoek

Sommige sinterklaastradities hoeven wat mij betreft niet te veranderen. Zoals die van uitgevers om in het najaar nieuwe taalboeken uit te brengen. Vorige week kwamen er hier al drie ter sprake, vandaag nog vier.

De Leidse taalkundige Piet van Sterkenburg kampt naar eigen zeggen met een „verslaving aan de onderwereld van de Nederlandse woordenschat”. Dat heeft in het verleden al geleid tot dikke studies over vloeken. In Rot zelf lekker op (Scriptum, €16,00) neemt hij „politiek incorrect en ander ongepast taalgebruik” onder de loep.

Voor dit boek enquêteerde Van Sterkenburg ruim dertienhonderd Nederlanders en Vlamingen. Hij vroeg hen onder meer naar taboes in schelden en vloeken. Racisme stond op de derde plaats, na schelden met ziektes en seksuele taboewoorden – ik laat de voorbeelden maar eens achterwege.

Leuk is dat Van Sterkenburg ook aandacht besteedt aan politiek incorrecte gebaren: de gebalde vuist en opgestoken middelvinger bijvoorbeeld – de opgestoken rechterarm („Sieg Heil!”) ontbreekt. Er is ook een leuk hoofdstuk over „kwetsbare voor- en achternamen”. Het gaat om echt bestaande voornamen als Nazi en Swastika. En om ongelukkige combinaties als S. M. van der Zweep, S. Esser, A. Nuss, Constant Lam, Sytze Vliegen en Wil Krikke – welke ouders verzinnen zoiets?

In Klimaatschieter, dwangzoen en kastelen in Spanje (Scriptum, €12,50) beschrijven Dirk Geirnaert en Roland de Bonth de geschiedenis van tientallen woorden en enkele uitdrukkingen die uit het Nederlands zijn verdwenen.

Ze zijn grotendeels afkomstig uit het Woordenboek der Nederlandsche Taal en het Middelnederlandsch Woordenboek. Klimaatschieten dateert uit de negentiende eeuw en betekende ‘buiten lekker genietend in een luie stoel liggen en totaal niets doen’. Het leukst vond ik woorden die nog wel bestaan, maar die een andere betekenis hebben gekregen. Zo betekende wereldwijf in de middeleeuwen ‘hoer’ – men beschouwde haar als een vrouw die behoorde tot „het aardse bedrijf”.

Tussen 1978 en 1995 publiceerde Inez van Eijk vier uiterst smakelijke bundels met dooddoeners, stoplappen en clichés. In Voor niets gaat de zon op (Brooklyn, €12,50) presenteert zij een selectie uit dat materiaal. De spaarzame aanvullingen hebben onder meer betrekking op dooddoeners in winkels. Voorbeelden: „Ik gebruik het zelf al jaren” en „Maar dan hebt u ook iets goeds”.

Het degelijkste recent verschenen taalboek is van taalkundige Nicoline van der Sijs: 15 eeuwen Nederlandse taal (Sterck & De Vreese). In zeven hoofdstukken beschrijft zij hoe het Nederlands uit het Indo-Europees is ontstaan. Een van haar conclusies: „Het Nederlands heeft altijd opengestaan voor invloeden van buiten; migratie en taalcontact zijn drijvende factoren voor taalverandering.”

Een andere conclusie is dat het wel meevalt met de zo vaak bejammerde invasie van Engelse woorden. Van der Sijs onderbouwt dit met cijfers uit onderzoek van twee miljoen woorden uit kranten en 55.668 gesproken woorden in acht uur vlogs. In die vlogs bleek slechts 2,3 procent van de woorden uit het Engels te komen. „Dat is dus nog minder dan in de kranten, terwijl van vlogs en sociale media juist wordt beweerd dat ze zoveel Engels bevatten.”

Er lijkt dus geen sprake te zijn van een tsunami aan Engelse leenwoorden.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders