Opinie

De cruciale vraag over de burgerdoden is nog altijd niet beantwoord

hawija

Commentaar

Voor haar nieuwste brief over wat er in 2015 is voorgevallen bij het bombardement door Nederlandse F-16 gevechtsvliegtuigen op een wapenopslagplaats in de Iraakse plaats Hawija had minister Ank Bijleveld (Defensie, CDA) maandag maar liefst 22 kantjes nodig. Dat zijn er 14 meer dan begin deze maand toen zij voor de eerste keer opheldering probeerde te verschaffen over de luchtaanval waarbij volgens berichten 70 burgerdoden zouden zijn gevallen.

Het is Bijleveld toen niet gelukt met als gevolg nieuwe vragen. Of de door de Tweede Kamer gewenste duidelijkheid er nu wel voldoende is, moet blijken tijdens het Kamerdebat dat woensdagavond wordt gehouden met de minister en premier Rutte (VVD).

Ook na de nieuwste poging tot transparantie van Bijleveld blijft de indruk over van een onwillig ministerie van Defensie dat het verstrekken van informatie eerder beschouwt als een ongewenst noodzakelijk kwaad dan als een staatsrechtelijke vereiste. Dit is des te verontrustender omdat het departement op dit punt al zo’n beladen historie kent en ook al zo vaak beterschap heeft beloofd. In zaken van leven en dood uit naam van de internationale rechtsorde – en daar gaat het veelal om bij gewapend optreden van uitgezonden Nederlandse militairen – is het afleggen van verantwoording een eerste vereiste.

Twee dingen staan in deze kwestie centraal. Allereerst: waarom de stilte nadat gebleken was dat er bij het bombardement op een munitiedepot van de Islamitische Staat als gevolg van onvoorziene explosies veel burgerslachtoffers waren gevallen. En vervolgens: waren de meest betrokken ministers op de hoogte van de informatie die de voorbije jaren langzaam maar zeker bekend werd bij het ministerie van Defensie in Den Haag. Met als grootste en politiek meest gevoelige cliffhanger: wat wist premier Rutte? Maar het is minister Bijleveld opnieuw niet gelukt volledige opening van zaken te geven over deze twee vragen. Voorbeeld: het woord „waarschijnlijk” keert maar liefst vijftien keer terug in haar jongste brief.

Minister Bijleveld erkende begin deze maand al dat de Tweede Kamer aanvankelijk verkeerd is geïnformeerd met de stellige bewering van de zijde van toenmalige ministers dat er geen burgerslachtoffers waren gevallen als gevolg van Nederlandse luchtaanvallen in de strijd tegen IS. Nu schrijft zij dat het voor de vliegers al „tijdens de wapeninzet” duidelijk was dat er sprake was van aanzienlijke nevenschade. Een medewerker van Defensie ging vier dagen na de aanval naar Qatar om zich daar te laten informeren over de voortgang van het onderzoek dat direct was ingesteld door het Centraal Commando.

Maar waarschuwingssignalen aan de politiek verantwoordelijken bleven achterwege. Toenmalig minister van Defensie Jeanine Hennis (VVD) informeerde volgens de brief van minister Bijleveld de minister van Buitenlandse Zaken – dat was toen de PvdA’er Bert Koenders – mondeling en „vermoedelijk” ook de minister-president. De toon van haar boodschap was naar eigen zeggen „niet alarmerend”, maar feitelijk. Het contrasteert met de reacties van Koenders en Rutte die in eerste instantie zeiden zich niets te kunnen herinneren.

Kortom de cruciale ‘wie-wist-wat-wanneer-vraag’ is nog altijd niet beantwoord. Dat blijft hoogst onverkwikkelijk. Een parlement dat zichzelf serieus neemt, zou hier geen genoegen mee moeten nemen.