Botsende belangen bij een ambitieuze visie

Interview De doelen van de Nationale Omgevingsvisie zijn niet allemaal tegelijk haalbaar, luidt de conclusie van de milieu-adviescommissie.

Wijk bij Duurstede heeft eens per jaar een feest in de binnenstad met als titel kleurrijk uit in Wijk.
Wijk bij Duurstede heeft eens per jaar een feest in de binnenstad met als titel kleurrijk uit in Wijk. Foto William Hoogteyling

Ambitie genoeg. We willen over dertig jaar een „gezond en klimaatbestendig” land zijn met een circulaire „uitstekend functionerende economie”, voorzien van „aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland”, een land waar je „snel en gemakkelijk” kunt reizen, met ruimte om te „bewegen en te ontspannen”, een land dat bovendien wordt beschermd tegen „overstromingen en andere gevaren”.

Dit zijn de vergezichten uit de voorlopige Nationale Omgevingsvisie, die „richting en inspiratie” moet geven voor de ruimtelijke inrichting van Nederland. De visie hoort bij de nieuwe Omgevingswet, die over ruim een jaar in werking moet treden, bedoeld voor een „goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving”.

Omgevingswet: ‘bureaucratisch wonder’ zwaar onder vuur

De vraag is of dit gaat lukken, stelt Kees Linse, voorzitter van de landelijke Commissie voor de milieueffectrapportage (m.e.r.). Zijn commissie heeft onlangs advies uitgebracht over het milieueffectrapport dat bij deze visie hoort, en dat beschrijft welke gevolgen de ruimtelijke keuzes voor het milieu zullen hebben. Linse: „Ik heb respect voor de ambities in de visie. Er wordt niet omheen gedraaid. Er wordt beschreven op welke gebieden er iets moet gebeuren: klimaat, economie, steden en landbouw. Maar het is wel de vraag of alle ambities tegelijk kunnen worden verwezenlijkt. Het is lastig al deze voeten in één schoen te passen. Onze vraag luidt: waar wringt de schoen?”

Grenzen aan de groei

De informatie in het milieurapport is „onvoldoende concreet” om te bepalen of alle doelen met de schaarse ruimte daadwerkelijk haalbaar zijn; het Rijk moet het rapport daarom „aanpassen”, meent de commissie. Neem de economische groei. Die zal gepaard gaan met de groei van de mobiliteit zoals luchtvaart, scheepvaart en ander verkeer. De omgevingsvisie denkt uit te kunnen gaan van een circulaire en broeikasgasarme economie, „waarbij economische groei en milieudruk worden ontkoppeld”. Maar mobiliteitsgroei „kan botsen met energie en klimaat, de beschikbare ruimte in Nederland, stikstofgevoelige natuur, de bereikbaarheid van steden en regio’s en de gezondheid van mensen”, signaleert de commissie. „Deze effecten zijn onvoldoende in beeld”, stelt voorzitter Linse van de commissie. „Je kunt de consequenties van economische groei niet zomaar wegwerken door te zeggen: we gaan allemaal maar thuis werken.”

De commissie voor de m.e.r. adviseert „botsproeven” te doen; experimenten om na te gaan waar de belangen botsen. Wat zijn bijvoorbeeld de effecten van het bouwen van een miljoen woningen in de komende tien jaar? „We bouwen zoveel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied, zodat we open ruimtes en groen tussen steden behouden”, staat er in de voorlopige omgevingsvisie. Maar wie alle woningen binnen de bestaande steden bouwt, vergroot de risico’s op slechtere luchtkwaliteit, geluidsoverlast, de mogelijkheden voor bewegen en voor groenvoorzieningen. En wat zijn de effecten op landschap, natuur en bereikbaarheid als je dan toch maar besluit bijvoorbeeld 20 of 40 procent van die noodzakelijke woningen buiten het stedelijk gebied gaat bouwen? Hier „ontbreekt een analyse”, stelt de commissie. Of neem de effecten van duurzaam opgewekte energie. De omgevingsvisie wil bij voorkeur zonnepanelen op daken laten leggen. Maar als dat nu eens te weinig energie oplevert, dan zullen er meer zonneweides moeten komen. Is daar ruimte voor? Zoiets heeft „aanzienlijke landschappelijke effecten”, aldus het advies.

Een ‘natuurinclusieve’ landbouw

Laatste dilemma: het streven naar zowel een emissieloze kringlooplandbouw, goed voor een halvering van de nationale stikstofdepositie, als naar een grondgebonden, „natuurinclusieve” landbouw. Deze streefbeelden „lijken moeilijk met elkaar te verenigen”, aldus het advies. Zo is de natuurinclusieve landbouw „zeker niet emissieloos”. Anderzijds kan bij emissieloze landbouw het dierenwelzijn in het gedrang komen, „omdat frisse lucht in de stal en buitenverblijven of beweiding in gesloten systemen niet mogelijk zijn”. Conclusie van het advies: „Slimme combinaties van functies zijn nodig voor het halen van doelen, maar zijn nog niet genoeg onderzocht.”

Het ministerie van Binnenlandse Zaken „waardeert” het advies en gaat in februari reageren in een brief aan de Kamer, aldus een woordvoerder.