Opinie

Onze ambassade in Paramaribo staat te koop

Paul Scheffer

Maandag klonken de vergeten stemmen van Surinaamse politici in De Nieuwe Kerk in Amsterdam. In een volgepakte ruimte hoorden we onder meer Henck Arron, premier ten tijde van de onafhankelijkheid in 1975: „Het was wáár wat de nationalisten zeiden, dat meer dan honderd jaar na afschaffing van de slavernij de Hollanders alles nog in handen hadden, de Bruynzeel, de Billiton.”

Terwijl Suriname in de politiek op de achtergrond is geraakt, krijgt de geschiedenis van het land in tal van musea en op het toneel alle aandacht. In de voorstellingenreeks De Suriname Monologen was maandag het verhaal van de onafhankelijkheid, geschreven door Sheila Sitalsing, te zien, met inbegrip van alle spanningen tussen creolen en hindoestanen. Die laatsten vonden dat de onafhankelijkheid te vroeg kwam.

Het verhaal van Arron, vertolkt door Ruurt de Maesschalck, bracht me terug naar de twintigjarige herdenking van de onafhankelijkheid op 25 november 1995. Ik was in Paramaribo als lid van een delegatie met onder meer de politici Hedy d’Ancona en Hans van Mierlo. Er was een seminar georganiseerd over de relatie tussen Suriname en Nederland.

Arron sprak bij die gelegenheid. En ook toen was zijn oordeel over Nederland bitter. Hij kritiseerde het „restrictieve” beleid jegens zijn land dat „verlammend heeft gewerkt op het democratiseringsproces, de nationale ontwikkeling en de interne stabiliteit”.

Iets in die toespraak viel niet goed bij de dienstdoende ambassadeur van ons land. We stonden met een paar mensen in een kring toen hij Arron toesprak: „Zeg Henck, dat was eens maar nooit meer.” De oud-premier verstijfde en beende kort daarop geërgerd weg. Misschien was het half-grappig bedoeld, maar ik was niet de enige die dacht een scène mee te maken uit een lang vervlogen tijd.

Nederland bouwde in die dagen aan een grote ambassade. Daar werd druk over gespeculeerd. Zoals een van de veteranen van de onafhankelijkheid, vakbondsman Fred Derby, het formuleerde: „Nederland heeft belangen in dit land. Ze bouwen een nieuwe ambassade met 123 kamers en niemand gaat mij vertellen dat er geen belangen door die kamers heengaan!”

In de toespraken tijdens het seminar ging het zo veel over „vertrouwen” dat het wel duidelijk was dat er nog veel wantrouwen in de lucht hing. Ook werd gesproken over een „normalisering” van de relaties. Nog zo’n bezwering van het verleden. Maar de betrekking tussen moederland en kolonie was ook na de onafhankelijkheid dubbelzinnig.

Dat is zo gebleven. Toch maakt alleen al de aanwezigheid in Nederland van een grote Surinaamse gemeenschap dat beide landen meer kunnen doen met hun onderlinge verbondenheid. Die gemeenschap kan een schakel zijn, maar de Surinaamse Nederlanders worden vanuit Paramaribo, om het vriendelijk te zeggen, met gemengde gevoelens bekeken.

Arron vaart al aan het begin van het toneelstuk uit tegen deze emigranten: „Zogenaamde Surinamers die bij de eerste tegenslag hun hielen hebben gelicht naar graziger weiden om vanaf hun Europese morele podium de Surinaamse bevolking voortdurend de les te lezen. Passanten met hun euro’s en bordeauxrode paspoort.”

Mijn idee was toen, en ook nu nog, dat de Surinaams-Nederlandse betrekkingen nooit ‘normaal’ kunnen zijn. Er is eenvoudigweg te veel Suriname in Nederland en te veel Nederland in Suriname om elkaar als een buitenland te kunnen beschouwen. De Surinaamse socioloog Marten Schalkwijk sprak bij dat seminar over zijn land als „het steentje in de Nederlandse schoen” – een zere plek die niet wil helen.

De recente geschiedenis is getroebleerd. Vooral de erfenis van de Decembermoorden gaat niet weg, zeker niet zolang Desi Bouterse president is. Dat bleek ook uit het theaterstuk in De Nieuwe Kerk. Het was mooi om de stemmen van deze voormalige politici te horen – vermengd met de soms vrolijke, soms weemoedige reactie uit het publiek.

We leven nu 44 jaar na de onafhankelijkheid van Suriname. Nog steeds valt de schaduw van het koloniale én postkoloniale verleden over de relatie met Nederland. Er is alle reden om een balans op te maken, zoals nu in musea en op het toneel gebeurt. De politiek mag niet achterblijven: ook daar moet worden nagedacht over een nieuwe betrokkenheid.

Zeker nu China het vacuüm opvult dat daar is achtergelaten. In een reportage van NRC-correspondent Nina Jurna lazen we hoe dat land steeds meer investeert en de schulden van Suriname snel oplopen. Zo ontstaat een nieuwe afhankelijkheid. Ondertussen staat het ambassadegebouw van Nederland halfleeg en wordt het te koop aangeboden. Er gaan misschien toch minder belangen door al die kamers dan ooit werd gedacht.

Paul Scheffer is hoogleraar Europese studies.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.