Opinie

De marge

Ellen Deckwitz

Na een optreden besloten een bevriende schrijfster en ik om nog een kopje thee te doen en ik stuiterde bij voorbaat: ik was nog nooit bij haar thuis geweest en iemands stulp voor het eerst betreden voelt toch als een inwijding. Eenmaal binnen verschilde haar huis weinig van de andere schrijvershuizen die ik mocht bezoeken – overal voiles van stof, op de vloer verscheidene terpjes aan poststukken – behalve dan dat het er zo koud was dat je nagels ervan loslieten. Terwijl de schrijfster naar boven sprintte om dekens te halen bekeek ik haar bibliotheek en ontdekte een dichtbundel die ik al jaren te pakken probeerde te krijgen. Enthousiast sloeg ik hem open en stuitte op een wonder. De marges waren versierd met pentekeningen van feniksen en griffioenen, schrijversportretten in BIC-inkt sierden de kantlijnen. Enthousiast trok ik andere boeken uit de kast en ook daar omgordden tekeningen de teksten zoals de fabeldieren het tapijt van Bayeux.

„Ik wist niet dat je zo goed kon tekenen”, juichte ik toen de schrijfster beneden kwam.

„Ik wist niet dat jij zo nieuwsgierig was”, zei ze.

„Je tekeningen zijn uitzonderlijk”, slijmde ik verder, „waarom doe je daar niets mee?”

„Ik heb mijn collectie er toch al mee opgefleurd?”

„Als ik zo kon tekenen zou ik er meteen mee exposeren. Of er minstens een Instagramaccount voor aanmaken.”

„Ach, nou ja. Tegenwoordig kan iedereen tekenen. Wat is het nut, nu iedereen een camera en photoshop heeft.”

‘Kom op”, zei ik toen ik een karikatuur ophield van een literair criticus die haar werk altijd afkraakt en door haar was voorzien van een aureool van prikkeldraad, „Met een tekening voeg je ook iets toe. Je doet meer dan de werkelijkheid nabootsen. Iets komt via je ogen je hoofd in, en onderweg tussen neuronen, spieren, botten, handen, pen en papier gebeurt er iets waardoor het eindresultaat veel meer is dan waarmee je begon.”

„Misschien”, zei ze.

„Je moet hiermee de markt op”, hield ik vol. Ze staarde even voor zich uit.

„Ik heb altijd geprobeerd de beste te zijn”, zei ze na een tijdje, „in alles. Als ik iets nieuws oppakte, wilde ik meteen excelleren. Ik was verslaafd aan schouderklopjes en applaus. Daar word je op een gegeven moment doodmoe van. En toen besloot ik in iets te gaan uitblinken, maar dat met niemand te delen.”

„Als een oefening in nederigheid?”

„Als een oefening in het hebben van plezier, zonder meteen van alles van mezelf te moeten. Zonder dat het het zoveelste bewijs moest worden dat ik de moeite waard was, dat ik er mocht zijn.”

„Het werd kunst om de kunst.”

„Het werd kunst om mezelf”, zei ze zacht, „om te leren dat de marge ook de moeite waard is.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.