Jang Hye-jin en Song Kang-ho in ‘Parasite’.

Interview

Bong Joon Ho: ‘Groeiende ongelijkheid kweekt explosieve rancune’

Bong Joon Ho De Koreaan Bong Joon Ho won dit jaar in Cannes de Gouden Palm met zijn zwarte komedie ‘Parasite’. Hij vindt zichzelf een genrefilmer. „Maar natuurlijk heb ik best wel iets te vertellen.”

Hij is nog steeds blij verrast als het filmfestival van Cannes hem uitnodigt, zegt de Zuid-Koreaanse filmmaker Bong Joon Ho (50). Het mekka van de arthouse nam dit jaar zijn pikzwarte komedie Parasite in competitie.

„Ik ben een genrefilmer”, zegt Bong. „Ik heb groot respect voor arthouse met een sociale boodschap, politiek idee of psychologisch inzicht. Maar zelf kan ik simpelweg geen film maken zonder de opwinding, energie en vitaliteit van genre. Het begint bij mij altijd met filmconventies, die ik op een verrassende manier probeer te breken, verdraaien of mixen. En natuurlijk heb ik best wel iets te vertellen. Dat zinkt hopelijk na afloop langzaam in bij de kijkers, wanneer de opwinding van plot en actie wegebt.”

Het is 23 mei in Cannes: gisteravond stond Bong Joon Ho op de rode loper met Parasite. In deze mix van sociale satire, klucht en thriller likt de straatarme familie Kim zich met list en bedrog in als personeel bij de steenrijke Parks. Een verborgen schuilkelder onder de villa bevat een geheim en de zaken nemen een sinistere wending.

In het strandpaviljoen van hotel Majestic oogt Bong Joon Ho opgeruimd: de recensies zijn positief tot jubelend. Maar dat hij over drie dagen met de Gouden Palm van Cannes op het podium zal staan? Genre, ook in aangeklede versie, wint zelden in Cannes. Toch gebeurt dat dit jaar met Parasite.

Bong Joon Ho brak in 2003 wereldwijd door met de verknipte politiethriller Memories of Murder. Hij maakte daarna monsterfilm The Host (2006), psychothriller Mother (2009) en sf-spektakel Snowpiercer (2013). Flamboyante, energieke films die vaak uit de rails lijken te denderen, maar dat nooit doen. Bong: „Mijn grote voorbeeld is regisseur Kim Ki-young, die u misschien kent van de klassieker The Housemaid (1960). Hij was een mentor voor mij. Maar ook de misdaadfilms van Claude Chabrol inspireren me, en trek je die lijn door dan beland je bij Hitchcock. Ik zou vereerd zijn als ze na mijn dood zeggen dat ik hun traditie voortzette.”

Lees ook de column van Peter de Bruijn: Stanley Kubrick vs de seksuele hypocrisie

In ‘Parasite’ speelt een schuilkelder een sleutelrol. Is dat iets metaforisch?

„Het is in eerste plaats reëel, veel Zuid-Koreaanse rijken hebben zo’n bunker onder hun huis. Seoul ligt vlakbij Noord-Korea, er bestaat grote angst voor kernwapens. Maar die bunker ging al schrijvend inderdaad als metafoor werken. Mijn film Snowpiercer structureert klasse horizontaal: de upper class bevindt zich in de voorste wagons van een trein, de armen achterin. Bij Parasite is dat verticaal: hoe lager, hoe armer. In de villa van de Parks is dat de kelder, maar het gaat ook over de stad als geheel. De Parks wonen op de heuvel, de Kims in het dal dat soms overstroomt.

„Zo zitten steden van oudsher in elkaar, en ook de filmgeschiedenis verbindt klasse met hoogte. Denk aan Metropolis. In Parasite vergroot ik dat nog extra uit met het souterrain dat de arme Kims bewonen. Dat is een normale woonvorm bij ons: half ondergronds, met kelderraampjes die een uur zonlicht per dag toelaten. Daar wonen werkende armen die de bodem nog niet hebben bereikt: een kelder zonder ramen.”

Het hoge keldertoilet in ‘Parasite’: in souterrains in Zuid-Korea moeten armen soms hun behoefte doen voor het raam.

Dat bizarre hoge keldertoilet van de Kims, is dat ook realistisch?

„Ja, zulke toiletten zie je vaak in souterrains. Dat is een kwestie van waterdruk, anders trekken ze niet door. Dus staat de wc op een verhoging en doe je je behoefte voor het raam, met je hoofd tegen het plafond. Ik zag op internet mensen foto’s van hun toilet posten met de titel ‘ons altaar van excrement’.”

Rijken zijn goed omdat zij dat kunnen zijn, armen zijn slecht omdat zij dat moeten zijn, filosofeert ‘Parasite’. Gelooft u dat?

„U refereert aan een gesprek waarin de Kims stellen dat goedheid een luxe is die alleen rijken zich kunnen veroorloven? Ik zie dat toch vooral als cynische zelfrechtvaardiging: wij misdragen ons omdat armoede ons daartoe dwingt. Wel klopt het dat geld het simpeler maakt aardig te doen en schone handen te houden.”

De sociale mobiliteit lijkt gering in ‘Parasite’. Is dat de realiteit in Zuid-Korea?

„Er was altijd al een kloof tussen arm en rijk, die wordt nu weer dieper en breder. De kans op sociale stijging slinkt, de generatie van mijn zoon krijgt het moeilijker dan de mijne. Dat is niet zonder gevaar. We zijn geen samenleving meer waar armen zich gedwee in hun lot schikken, we groeiden ook op met het idee dat wie zijn best doet een kans verdient. Dan kweekt groeiende ongelijkheid rancune die kan exploderen, zoals in mijn film.

Parasite weerspiegelt die nieuwe realiteit, vooral het sneue einde. Daar is zoon Kim Ki-woo, die bepaald geen rebels of strijdbaar type is, vastbesloten zoveel geld te gaan verdienen dat hij de villa van de Parks kan kopen. Je voelt dan hopelijk medelijden met hem. Ik ben geen pessimist, maar uit losse pols berekenden wij dat Ki-woo daarvoor 547 jaar moet werken.”

Lees hier de recensies van Coen van Zwol (5 ballen) en Peter de Bruijn (2 ballen)

‘Snowpiercer’ was een internationale film, heeft u niet overwogen ‘Parasite’ in de VS te filmen?

„Niet echt. Snowpiercer ging ook over klassenstrijd, maar dat was sciencefiction, fantasie. Parasite kiest een hedendaags en komisch perspectief. Dat kan je maar beter ergens situeren waar je de subtiele nuances en complexiteiten van sociale verhoudingen werkelijk begrijpt.”

Bij ‘Snowpiercer’ botste u hard met Harvey Weinstein. Hoe volgde u zijn val?

(sarcastisch) „Ach, Harvey heeft zoveel geweldige advocaten, hij komt vast op zijn pootjes terecht. Maar ik zie weinig verband tussen #metoo en onze ruzie. Die ging over mijn eis van final cut en zijn wens om in Snowpiercer te knippen bij de Amerikaanse release. Toen ik te weinig toegaf, kreeg mijn film voor straf een heel bescheiden roulatie.

„Harvey heeft best menselijke trekken hoor. In een shot van Snowpiercer houdt een geschifte militair een enorme vis omhoog. Dat is puur absurdisme, Harvey wilde het eruit knippen. Toen heb ik hem op bedeesde toon voorgelogen: ‘Harvey, mijn overleden vader was een visser, dit is een hommage.’ Hij werd best emotioneel. Mijn hoogste respect voor uw familie! Editor, hou die vis erin. Zoveel mogelijk vis in deze film!”

En uw vader is?

„Een docent grafisch ontwerpen. Ik kom uit de saaie, veilige middenklasse.”

Twee jaar geleden was u in Cannes met Netflixfilm ‘Okja’. Blij terug te zijn op het grote scherm?

„Het is erg prettig werken met Netflix. Je krijgt een ruim budget, volledige creatieve controle en final cut. Dat vind je nergens zo. Toch was ik wel teleurgesteld dat Okja slechts in 150 Koreaanse bioscopen te zien was, ik hoopte op meer. Het gaat mij niet alleen om de indringende visuele ervaring, ook om het feit dat je in de bioscoop geen pauzeknop hebt en geen smartphone op schoot. De bioscoop dwingt je op prettige manier tot concentratie, je ervaart een film daar in de tijd, het tempo en het ritme die de filmmaker voor ogen stonden.”