Zin een haas te villen? Iemand?

Joël in ’t wild Wie de weg kent in de natuur, kan er goed van eten. Joël Broekaert gaat het leren. De laatste aflevering: eindelijk op hazenjacht.

Prrrrt... Ha. Ha.... prrrrt...” Opperdrijver Elie – muts, baard en een grote herdersstok – schrijdt als een Bijbelse figuur in het midden van de linie door de akker. „Haas voor! Haas voor!”, wordt geroepen wanneer er een wegstuift. Grote, sterke beesten, razendsnel. Breken ze de linie, dan laten we ze sowieso lopen. Anderen blijven buiten schootsafstand. Maar aan het eind van de dag is er toch voor iedereen – drijvers en geweren – een haas.

Twee weken geleden mocht ik mee op hazenjacht. Het was precies zoals ik het mij had voorgesteld. Een gezelschap van goedlachse mannen in dikke truien die samenkomen in een houten keet op een boerenerf, verwarmd door een houtkachel en een dikke deken sigarenrook, tafelkleden met hertjes en wilde eenden erop, erboven een gewei met drie lampjes erin. Filterkoffie in de pot, sleedoornjenever op tafel.

Een gepensioneerd dierenarts, een oud-jachtopziener, een oud-eendenkooiker. Een had een tonnetje bouillon mee voor de kou, een ander leverworst. De vrouw van Ron zorgde voor het eten: een lekker bord met gestoofde aardappelen en spruiten met rookworst en gehakt. Een had zijn eigen potje sambal mee. De jagermeester, auteur van het prachtige kookboek Wild. Een ander reed later zijn vierwielaangedreven Jaguar SUV vast in de modder en kon daar wel om lachen, nadat de boer met zijn trekker te hulp was geschoten.

De dag was koud, gezellig en respectvol. We hadden buiten door de drassige grond geploeterd, doodstil in de natte modder gelegen. Moe van alle indrukken en de opwinding reed ik met mijn haas naar huis. Terug de parallelle wereld van de moderne stad in. Waar dode dieren geen plek hebben. Althans, niet als zodanig herkenbaar.

„Heeft er iemand zin om met mij een haas te villen?” Zo’n beest verandert niet vanzelf in stoofpot. Dus ik had het maar even in de buurt-appgroep gegooid. Met een foto van mijn haas die in zijn volle glorie – kop, staart, velletje – in het lantaarnlicht aan mijn schuur in de achtertuin hing. De achterpootjes gespreid met twee tiewraps aan een plastic kleerhanger.

‘Ik pas even.’ Bezorgde en misselijke emoticons. En: ‘Getver... Ik eet het liever zonder dit eerst allemaal te moeten doen.’ Buren van mijn leeftijd. De buuf op links – omi voor de kinderen in de buurt – kwam wel even poolshoogte nemen. Zij vond er weinig enerverends aan: „Ja, zo ging dat vroeger.” Haar enige commentaar: „Trek een jas aan jongen, het is veel te koud zo.”