Wat tbs-behandeling inhield? Veroordeelde ex-priester Van der V. heeft geen idee

Oud tbs’er Ron van der V. (68) kwam in verzet in de tbs-kliniek. De therapie stond hem niet aan, veel behandelaren ook niet. Nu zijn maatregel is opgeheven, kijkt hij terug.

Hij heeft zijn behandelaren heus een kans gegeven, door naar ze te luisteren. Maar taalfouten in de rapportages van die piepjonge meiden die hem observeerden, „ja, dan hebben ze aan mij een goeie”, zegt Ron van der V. „Die werden aangestreept.”

En dat werd hem dan weer kwalijk genomen, merkte hij. Net als dat hij zich bemoeide met de diagnose van een medebewoner. Een verkeerde, in zijn ogen. „Ik moest me met mijn eigen therapie bezighouden, werd gezegd. Als straf mocht ik niet meer op de computer.” En dan gaat hij niet uit zijn dak, hij gaat niet de boel kort en klein slaan, zoals sommigen in de tbs doen, „en wat soms ook beter werkt”. Maar zo zit hij niet in elkaar.

De terbeschikkingstelling (tbs) is een systeem. Met regels en protocollen. Ontworpen voor de overgrote meerderheid, zoals elk systeem. Maar wie aan de randen van het spectrum zit, ver van het gemiddelde, die valt erbuiten. Die rest een barre tocht door het systeem.

Een veteranenspeldje prijkt op de revers van zijn jasje. Ron van der V. was jarenlang priester, onder meer bij defensie. Hij is op uitzending geweest in Afghanistan en Irak „en dan maak je hele akelige dingen mee”. Hij ervoer het als een gouden tijd. Dankbaar dat hij iets heeft mogen betekenen voor de militairen die het nodig hadden. Hij had met hen geregeld diepe, therapeutische gesprekken. Nee, leer hém therapie kennen.

Improvisaties op de piano

Van der V. heeft een pedoseksuele stoornis. Hij werd wegens seksueel overschrijdend contact met minderjarige jongens uit het ambt van priester gezet. In 2011 is hij tot twaalf maanden celstraf en tbs veroordeeld vanwege aanranding van een puberjongen. Hij ontkent het delict, zoals hij ook de narcistische persoonlijkheidsstoornis ontkent die psychologen later bij hem vaststelden. Leg hem eens uit, hoe zou iemand met een persoonlijkheidsstoornis zich maandenlang als geestelijk verzorger staande kunnen houden in oorlogsgebied?

De veroordeling bleef in hoger beroep in stand. In 2014 ging Van der V. van de gevangenis naar de tbs-kliniek. Van cel naar kamer, in de Willem Pompekliniek in Nijmegen. Voor onbepaalde tijd. Een iets ruimere woonplek. Bed, tafeltje, kastje, stoel, wastafel, en overdag de kamerdeur open. Met z’n tienen op een afdeling. Gemeenschappelijke woonkamer, gedeeld sanitair. Zeden-, drugs- en geweldsdelinquenten door elkaar.

Lees ook het stuk over Van der V. uit 2017, toen zijn tbs werd verlengd

Ging de overgrote meerderheid na het ontbijt van acht uur naar arbeid, houtbewerken à 2,35 euro per uur, Van der V. toog richting bibliotheek. Hij is nu 68 jaar, 24 jaar ouder dan de gemiddelde tbs’er, en met pensioen. Hij heeft door zijn arbeidsverleden „de mazzel” van een prima toelage.

Van der V. bracht zijn dagen lezend en schrijvend in de bibliotheek door. Hij kon er op de computer. Ook kocht hij een orgeltje voor op zijn kamer, luisterde naar klassieke muziek, hield zijn kamer netjes en speelde improvisaties op de piano in de kapel. Dan moest er een begeleider mee, in het begin.

Samen een legpuzzeltje maken

In de tbs hebben mensen met een zedenachtergrond het lastig. Ze zijn eerder object van pesterijtjes: iemand die voortdurend het licht aan en uit doet terwijl je achter de computer zit, een buurman die expres de volumeknop op zijn kamer opendraait terwijl je bezoek hebt. In de kliniek heerst een machocultuur, tegenstribbelen heeft geen nut.

Desondanks ging Van der V. het contact met andere tbs’ers niet uit de weg. Hij raakte vanwege zijn achtergrond geregeld verzeild in een goed gesprek. Leuk, geboeid contact. Samen een legpuzzeltje maken in de woonkamer, een gefrustreerde medebewoner helpen bij het opstellen van een brief aan de kliniek. Wat hem opviel: genoeg mensen in de tbs zijn gestoord, maar vaak alleen op één deelgebied.

Moeilijker was de omgang met behandelaren. De aanwezigheid van een stoornis is een vereiste voor de oplegging van tbs. Wie het systeem ingaat, krijgt een diagnose, een hoofdbehandelaar en een behandelplan. De therapie, vaak beperkt tot één à twee uur per week en daarnaast een groepsbespreking, is bedoeld om een gedragsverandering ‘aan’ te zetten. De overige tijd is er om te oefenen. Eerst op de leefgroep, de arbeid, later op de resocialisatie-afdeling en buiten de kliniek, met en zonder begeleiding. Dat is het idee.

Maar therapie waarvóór, vroeg Van der V. het personeel. „Moet ik op m’n handen leren lopen?” En waarom zou hij deelnemen aan een dadergroep als hij niet kón vertellen over zijn daad, „omdat ik die niet ervaren heb?”

Van der V. ontkent zijn pedoseksuele stoornis niet, al het andere wel. En een veroordeelde die zijn delict ontkent, daar is het tbs-systeem niet goed op toegerust. Want iemand verplíchten tot therapie, dat werkt niet. Behandelaren zullen dan ‘eromheen’ moeten werken. ‘Working around,’ noemen ze dat. Dat kan, met creativiteit. Maar begin er maar eens aan, bij iemand zoals Van der V. Bovengemiddeld intelligent – een IQ van 90 is gemiddeld in de tbs. Deze mensen voelen zich eerder bedreigd door het systeem, dat is gericht op regels en protocollen en waarin argumentatie minder telt. Die gaan in de weerstand.

Het personeel, dat waren de sociotherapeuten op de groep. Telkens nieuwe gezichten, jonge meiden vaak, het verloop in de tbs is groot. Tegen hen was hij kritisch doch beleefd, hij stelde wedervragen en kreeg er daarmee „best wat geïrriteerd”.

Waaróm, vroeg hij hen, stond bij een medebewoner, afkomstig uit de woonwagenwereld, ‘neurotisch’ en ‘obsessief schoonmakerig’ in zijn verslag? „Terwijl dat onderdeel is van zijn cultuur en het altíjd brandschoon is in die wagens.” Waaróm, vroeg hij hen, staat in de tbs de stoornis centraal, terwijl hij om zich heen zag dat de meeste problemen voortkomen uit verslaving? „Drugs, overal te krijgen in de kliniek.” Maar goede antwoorden, zegt Van der V., die kreeg hij niet.

Het personeel probeerde het wel, met hem. „Hé Ron”, zeiden ze op de groep, om een therapeutische relatie met hem op te bouwen. Maar therapie waarvoor? Van der V. raakte er alleen maar geagiteerd van. Al dat ge-je en ge-jij, hij had er een hekel aan. Niet van medebewoners, die mochten hem best bij de voornaam noemen. Die hadden geen bos sleutels, stonden niet in een machtsverhouding tot hem. Maar als behandelaren het deden, draaide hij zich om en liep weg.

Van der V. werd er cynisch van, „en dat is misschien ook niet het beste”. Geregeld las hij in zijn rapportage terug: „Meneer is niet gemotiveerd”, „meneer zit in de weerstand”, „meneer stelt zich op als co-therapeut”. Hij merkte: iedere vorm van verzet werd geduid als bewijs van zijn narcistische stoornis. Terwijl, de deskundigen die hij inmiddels zelf had ingeschakeld, zes stuks in totaal, aangesloten bij het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, die konden géén narcistische stoornis bij hem vinden, hooguit „trekken” ervan. Maar bij eerdere rechtszaken over de verlening van zijn tbs ging de rechter daar niet in mee.

‘Goedenavond, meneer’

Zijn kritische houding hielp de relatie met de kliniek niet vooruit en als het zo doorging zat hij er nu nóg. „Stel je nou wat vriendelijker op”, zei zijn advocaat, Jan-Jesse Lieftink. „Beweeg mee, laat de kliniek haar ‘working-around-systeem’ hanteren. Des te eerder ben je buiten.”

Gaandeweg werd Van der V. wat meer ontspannen. Dankzij enkele behandelaren bij wie hij zich op z’n gemak ging voelen. „Goedenavond meneer Van der V.”, zei er één. Voor haar had hij respect, „ze durfde de keten te doorbreken”. En zo waren er nog een paar die konden luisteren, „de tijd namen, moeite deden zich in te leven in een ander”.

Op de laatste verlengingszitting, in oktober dit jaar, waar de rechter over de voortgang van de tbs-maatregel beslist, was de ernst van de narcistische stoornis volgens de psychiater „verbleekt”. Apart, vindt Van der V., want aan therapie heeft hij niet deelgenomen. En hoewel ook zijn pedoseksuele stoornis niet is behandeld, heeft hij volgens de psychiater „met de omtrekkende behandellijn van de kliniek” wel meer zicht gekregen op risicosituaties en hoe daarmee om te gaan. Wat die behandellijn heeft ingehouden? Van der V. heeft geen idee.

Belangrijker is misschien zijn netwerk geweest. Zijn vriendengroep die hem steunt, maar ook kritisch is op zijn pedoseksuele stoornis. En dat Van der V. heeft gezegd geen risicovolle situaties meer op te zoeken. En dat zijn eerdere verloven, gedurende het laatste jaar geheel buiten de kliniek en onder toezicht van de reclassering, zonder incidenten verliepen.

Hoe dan ook, psychiater en reclassering zagen dit jaar bij hem voldoende „zelfcontrole” om het recidive-risico als „laag” te beoordelen. „Meer verbetering valt niet te wachten.” De rechter hief daarop zijn maatregel op.

„Lekker zingen”, dat wil Van der V. de komende jaren. Hij neemt deel aan drie koren. „En wat reizen, musea bezoeken.”