Recensie

Recensie Muziek

Stiekem blijkt eenmansband Marc Rebillet een muzikaal genie

Dance In een uitverkocht Paradiso bedacht eenmansband en slapstick-dj Marc Rebillet ter plekke beats van blaffende honden.

Marc Rebillet.
Marc Rebillet. Foto Almost Real Things

Er paradeert een zo goed als naakte nerd over een grote dj-tafel vol elektronica. Hij draagt een bril, snor, bruine leren schoenen en… een zwarte onderbroek. Zijn enige andere kledingstuk, een witte kimono, heeft hij zojuist met veel gevoel voor drama uitgetrokken. Onder luid gejuich en oorverdovend gefluit deelt hij nu klapzoenen uit aan zijn Amsterdamse fans. Tegelijkertijd bedient hij met het puntje van zijn schoen zijn synthesizer: BOEM-BOEM-BOEM! Paradiso ontploft.

Aangenaam: Marc Rebillet, digitale eenmansband, of zo u wilt: slapstick-dj. Enkel gewapend met synthesizer, laptop, loopstation en wat samba-ballen stapelt de Amerikaan (koosnaampje: ‘Loop Daddy’) laagje op laagje tot er onweerstaanbare dansvloerkrakers overblijven, van hiphop tot r&b en van funk tot disco. Extra moeilijkheidsgraad: hij verzint alles ter plekke.

Paradiso mag dan al maanden zijn uitverkocht, fans van het eerste uur weten dat Rebillet eigenlijk op zijn best is in lege zalen. Drie jaar geleden begon hij in zijn thuisbasis Dallas shows te livestreamen vanuit sportcafés en saloons, waar verveelde rednecks en cowboys hem vol onbegrip vanaf hun barkruk zaten aan te gapen. Hoe ongemakkelijker de sfeer, hoe harder Rebillet heerste door weglopende of bellende toeschouwers met hilarische improvisaties bij zijn muziek te betrekken. Gevolg: zijn online fanbase explodeerde, de volle zalen volgden.

Marc Rebillet tijdens een optreden in Manchester.

Ook al lijkt hij geen idee te hebben wat hij aan het doen is, stiekem blijkt Rebillet een muzikaal genie te zijn. Moeiteloos schudt hij een gevoelig piano-intermezzo uit zijn mouw. In die aanzwellende knuffelballade komen de muzikaliteit van Stevie Wonder, de geilheid van Barry White, de uithalen van Marvin Gaye (waarmee hij vervolgens weer meerstemmige koortjes metselt) én de grofheid (en waanzin) van Hans Teeuwen allemaal samen.

WOEF-WOEF! Daar klinkt het geluid van een keffertje. Binnen de kortste keren transformeert het geblaf tot gevaarlijke gangsterrap en via trommelvliessplijtende trap weer in beukende gabber. De tekst is een inkoppertje: „Shut The Fucking Dog Up!

Als Rebillet voor de duizendste keer zijn bril omhoog schuift – die door het headbangen telkens tot onder zijn snor afzakt – ziet hij het helder: Amsterdam ligt kwispelend aan zijn voeten.