Reportage

Gevaarlijk? Je hoeft niet gek te zijn om handbalkeeper te worden

De handbaldoelman Nederland heeft nauwelijks keeperstrainers in het handbal. In Limburg werd een speciale clinic gehouden voor jeugdkeepers.

Jonge handbalkeepers krijgen training in sporthal de Heuf in Panningen.
Jonge handbalkeepers krijgen training in sporthal de Heuf in Panningen. Merlin Daleman

Een ‘clean sheet’, de ‘nul’; voor een handbalkeeper bestaat de perfecte wedstrijd niet. In ieder geval niet zoals doelverdedigers in bijvoorbeeld het voetbal of hockey die kennen. Bij handbal kan een keeper na 29 tegentreffers gewoon tot man van de wedstrijd worden uitgeroepen, zoals Arjan Versteijnen van Bevo zaterdagavond overkwam in de Limburgse derby tegen Lions.

Negentien reddingen verrichtte de 19-jarige jeugdinternational in Sittard-Geleen in de Bene-League-wedstrijd, die in een gelijkspel eindigde. Het is wat hem zo aantrekt in zijn positie op doel, vertelt Versteijnen zondagochtend aan de rand van veld 1 in sporthal De Heuf in Panningen, de thuisbasis van Bevo. „Je kunt als keeper voor je team het verschil maken.” Het is ook meteen zijn antwoord op de opmerking die hij meer dan eens te horen krijgt: je moet wel gek zijn om handbalkeeper te worden.

Gerrie Eijlers heeft zichzelf ook nooit als een gek gezien. „Je hoort vaak dat het zo gevaarlijk is, maar daar ben ik helemaal niet mee bezig”, zegt de 39-jarige doelman van het Nederlands team over de schoten die met meer dan honderd kilometer per uur op hem afkomen. Met als enige bescherming een toque. Eijlers: „In mijn loopbaan heb ik misschien drie keer een hersenschudding opgelopen door een bal. Het is als speler ook verboden om op het hoofd van de keeper te mikken, dan krijg je direct een rode kaart. En je krijgt het hele team achter je aan.”

Eijlers ziet zichzelf, samen met de middenopbouw, als de belangrijkste speler van het team. „Als je als keeper goed speelt, wordt de dekking ook beter. Spelers verdedigen voor jóu, dat is een wisselwerking. En met snelle spelhervattingen kan ik ervoor zorgen dat we makkelijker doelpunten maken.”

Mastercoaches

De belangrijke rol die een doelverdediger in het handbal speelt, was voor Guido van Erp reden om een speciale keepers-module op te nemen in de eerste Nederlandstalige versie van de Europese mastercoachopleiding. „Op topniveau is er bij teams in Nederland wel aandacht voor de keepers, maar daaronder nauwelijks”, zegt de leercoach van het Nederlands Handbalverbond. „Handbal is een kleine sport waar weinig geld in omgaat, en keeperstrainers zijn er nauwelijks.”

Foto Merlin Daleman

Het kan dus geen kwaad om de coaches meer te leren over de „laatste speler in de dekking en de eerste in de aanval”, dacht Van Erp. En zo gingen achttien Nederlandse en Vlaamse cursisten vrijdag en zaterdag dieper in op het keepersvak en verzorgen ze deze zondag in Panningen twee clinics voor jeugdkeepers. Eijlers was ook uitgenodigd, maar „Sinterklaas bij mijn schoonmoeder” ging voor. „Die extra aandacht voor keepers is hard nodig”, zegt hij vanuit Volendam. „De meesten krijgen in de jeugd bij trainingen alleen ballen op doel. Goede keeperstrainers in Nederland zijn op één hand te tellen.”

Niet voor niets was dit weekeinde de Oostenrijker Roman Filz gastdocent in Panningen. Hij is een specialist die voor de Europese handbalfederatie in veel landen cursussen over keeperstraining verzorgt. Filz, zelf een oud-doelman, heeft de rol van de keeper in de laatste decennia zien veranderen. „Handbal is een zoveel snellere sport geworden”, zegt hij terwijl hij de verschillende oefeningen in de gaten houdt. „Keepers zijn daarin meegegroeid, zijn slimmer geworden. Ze proberen het de spelers moeilijk te maken, nemen het initiatief. Vroeger werd toch vooral op reactie gekeept. Bovendien zijn keepers betere atleten geworden.”

Gerrie Eijlers kan dat beamen. Hij is net klaar in de sportschool als NRC belt. „Twee, drie keer in de week doe ik aan krachttraining. Ik ben megafit.” Eijlers is bezig aan de laatste maanden van zijn loopbaan, waarin hij vijftien seizoenen in Duitsland speelde. Hij had al besloten te stoppen, maar toen het Nederlands team zich afgelopen juni voor het EK van 2020 plaatste – het eerste grote toernooi sinds 1961 – besloot hij er nog een seizoen aan vast te plakken. Nu zou hij het liefst nog langer doorgaan. „Keepen is een ervaringsvak. Maar je moet ook steeds weer met een nieuwe oplossing komen. Als de spelers harder gaan schieten, moet jij daar iets op bedenken. Je groeit als keeper met de spelers mee.”

Spelen met de tegenstander

Eijlers herkent zich in de woorden van Roman Filz. Ook hij is als keeper steeds meer initiatief gaan nemen. Hij speelt met zijn tegenstanders door schijnruimte te bieden in iemands favoriete hoek of die juist af te sluiten. „Zo probeer ik af te dwingen dat ze schieten waar ík wil. Ik ga ook altijd goed voorbereid een wedstrijd in. Van elke tegenstander bekijk ik twee, drie video’s, en ik heb een boekje met aantekeningen. Ik weet alles van ze.”

In een handbalwedstrijd valt een team gemiddeld 55 keer aan, zegt Eijlers. Van die aanvallen moet de doelman zo’n veertig keer in actie komen en brengt hij pakweg vijftien keer redding. Toch, zo stelt hij, kan een handbalkeeper wel degelijk een perfecte wedstrijd spelen. „Als de afspraken met de verdedigers goed uitpakken, je stabiel in jouw hoek keept en er nog een paar in de andere hoek pakt, en ook nog een paar strafworpen en vrije worpen stopt.”

Foto Merlin Daleman

Een goede wedstrijd voor een handbalkeeper is er een met een stoppercentage van 30 procent of hoger, zegt Arjan Versteijnen, wellicht ooit de opvolger van Eijlers in het Nederlands team. Met tegendoelpunten heeft Versteijnen leren omgaan. „Om de paar ballen ga ik even naar de kant. Beetje praten met de reservekeeper, wat drinken. Ik probeer gewoon altijd rustig te blijven. Als keeper krijg je nou eenmaal meer over je heen dan alleen tegengoals.”

Versteijnen doelt op de dodelijke blikken van medespelers en coaches. In het handbal is de keeper toch vooral een individu in het team. „Bij een time-out zie je ze ook altijd buiten de groep staan, zegt Guido van Erp. „Met de keeperstrainer en reservekeeper.”

In Panningen zijn zondagmiddag alleen maar keepers en valt niemand uit de toon. Iris Oude Essink en Chyenna Richards, twee vriendinnen die samen trainen bij een handbalschool in Zuid-Holland, zijn blij met de twee uur extra aandacht deze zondagmiddag. „Ik heb op mijn voetenwerk getraind”, zegt Richards. Oude Essink: „Ik op het gooien van de fastbreak. Daar heb ik op mijn club geen ruimte voor. We trainen altijd op een half veld.”