De staatsschuld is het probleem, en zes andere mythes over Italië

Roger Abravanel De Italiaanse economie hapert niet vanwege corruptie of dolce vita. Het echte probleem zit in het hardnekkige geloof in klein familiekapitalisme, stelt Roger Abravanel.

Winkelpubliek in de Galleria Vittorio Emanuele II in Milaan, Italië. Roger Abravanel pleit voor een meritocratie en noemt onder meer het „lage scholingsniveau en lage arbeidsproductiviteit” problematisch.
Winkelpubliek in de Galleria Vittorio Emanuele II in Milaan, Italië. Roger Abravanel pleit voor een meritocratie en noemt onder meer het „lage scholingsniveau en lage arbeidsproductiviteit” problematisch. Foto Alessia Pierd omenico/ Bloomberg

Eén magisch medicijn voor de kwakkelende Italiaanse economie bestaat er natuurlijk niet. Maar Roger Abravanel, de Italiaanse oud-directeur van adviesbureau McKinsey, heeft wel een thema boven aan zijn lijstje staan: de meritocratie. Zorg ervoor dat mensen beoordeeld worden, kansen krijgen, promotie maken, op basis van wat ze kunnen, niet op basis van wie ze kennen.

Dat is het belangrijkste thema waarop Abravanel, nu ‘emeritus directeur’, hamert als adviseur van ministers en als schrijver van boeken met een breed publiek. Soms kan hij een succesje claimen, zoals de landelijke test voor scholieren (waarmee ook is te onderzoeken waarom scholieren in het zuiden veel hogere cijfers halen dan in het noorden). „Dat is een van mijn voorstellen”, vertelt hij trots. „Zeven miljoen scholieren doen nu die test.”

Veel mensen zeggen het hem na dat ze voor meritocratie zijn. „Maar in de praktijk verzet iedereen zich ertegen. Niemand wil zijn privileges kwijt”, zegt hij. „Leraren bijvoorbeeld, die willen helemaal niet beoordeeld worden. Dan zouden ze hun automatische promotie kunnen mislopen. Er bestaat een monstrueuze lobby tegen meritocratie. De Italianen hebben angst voor competitie. En meritocratie betekent competitie. Maar in een land waar niemand de regels respecteert, wil niemand competitie, want ze denken dat er toch wel met die regels wordt gesjoemeld.”

De 73-jarige Abravanel heeft veel praktijkervaring. In zijn tijd bij McKinsey, waarvan hij 22 jaar directeur was, heeft hij de Italiaanse economie van binnenuit geanalyseerd en meegemaakt. Vandaar zijn nadruk op meritocratie. Zijn andere observaties deelt hij graag aan de hand van het woord ‘mythe’. Er bestaat namelijk een aantal, vaak diepgewortelde, ideeën over Italië die in zijn ogen „pure mythes” zijn. We bespreken er zeven.

Lees ook: Roestend Italië is moeilijk te repareren

1. Het hoofdprobleem is de enorme staatsschuld, nu 132 procent van het bbp.

„Niet waar. Schuld wordt pas een probleem als twijfel ontstaat of de staat betaalt, zoals bij Griekenland is gebeurd. En Italië heeft steeds op tijd betaald. Het hoofdprobleem is de groei. De schuld wordt gemeten als percentage van het bruto binnenlands product. Omdat dat nauwelijks groeit, blijft de schuld wel zwaar wegen. Over die groei en passant nog een mythe: Italië groeit niet door de financiële crisis. Of, een variant, door toetreding tot de eurozone. Ook dat is niet waar. Italië staat eigenlijk al vijftig jaar stil. In de jaren zeventig en tachtig is de economie blijven groeien, maar dat was gedrogeerde groei. We gaven veel meer uit dan we groeiden: aan pensioenen, aan regionaal beleid bijvoorbeeld. Op papier werd iedereen rijker. Maar het was een illusie. In 1992 werd het land min of meer failliet verklaard [toen de lire fors moest devalueren] en toen begon ook de nominale groei te haperen. We groeiden daarna 0,8 procent minder per jaar dan de rest van Europa. Als je terugkijkt naar 1995, heeft Italië sindsdien 30 procentpunt verloren ten opzichte van Frankrijk en Duitsland.”

2. De staatsschuld is zo hoog omdat de Italianen het dolce vita leven.

„Niet waar. De Italianen die werk hebben, maken meer uren dan de Duitsers en verdienen minder. Hun kinderen hebben minder werk, ze verdienen minder en kunnen vaak alleen maar tijdelijke banen vinden. De Italianen worden armer en velen van hen zijn hun spaargeld aan het opeten. De schuld is zo hoog omdat in de jaren zeventig en tachtig dwaze, kostbare hervormingen zijn doorgevoerd. In de afgelopen 25 jaar zijn vooral de regeringen-Berlusconi doorgegaan met uitgeven.”

3. Italianen gaan nu eenmaal losser om met regels.

„Niet waar. Draghi is een Italiaan, en hij zorgt ervoor dat de financiële regels worden gerespecteerd. Niet de Italianen zijn het probleem, maar Italië. De overheid is niet in staat ervoor te zorgen dat de regels voor bijvoorbeeld belastingbetaling worden gerespecteerd. Ons justitiële systeem werkt zó langzaam dat veel mensen het vertrouwen in justitie hebben verloren en zich dan maar niets aantrekken van regels. Het is een vicieuze cirkel. We hebben te veel regels, ze zijn slecht opgesteld, dan komen er nog meer regels in een poging beter te controleren. De overheid zou alle regels moeten opschonen en er daarna voor moeten zorgen dat ze worden gerespecteerd. Als je denkt dat iedereen corrupt is, denk je: waarom zou ik de regels respecteren?”

4. Het land functioneert juist omdat mensen zo goed kunnen regelen en ritselen.

„Het land functioneert niet. De meeste regels dateren van veertig jaar geleden. Italië heeft nooit de overstap gemaakt van een industriële naar een post-industriële economie, zoals andere landen dat hebben gedaan. Armani is een mode-bedrijf dat op wereldniveau actief is en daarvan heeft geleerd. Maar onze dienstensector is niet blootgesteld aan internationale concurrentie. Veel bouwbedrijven staan er slecht voor. Het banksysteem lijdt onder gebrek aan concurrentie op het gebied van kosten en dienstverlening. Toerisme is belangrijk voor Italië, maar we hebben niet één grote Italiaanse hotelketen, die sector is extreem gefragmenteerd. Voor veel mensen in de dienstensector zijn fraude en belastingontduiking manieren om te overleven, hoewel ze niet concurrerend zijn. Dan stel je alleen maar het onvermijdelijke uit.”

5. Italië wordt geremd door een bureaucratie die niet goed functioneert.

„Dat is deels waar, denk aan de justitie, de belastingheffing. Maar het echte probleem waardoor Italië wordt afgeremd, zijn de ondernemers. Die geloven nog steeds in het systeem van familiebedrijven. Mensen zeggen: piccolo è bello, klein is mooi, maar ik zeg: piccolo è brutissimo, heel erg lelijk. Italië is een land van kleine bedrijven, veel kleiner dan gemiddeld in Europa. Die fragmentatie vermindert de concurrentie tussen bedrijven, vooral in de dienstensector. Qua middelgrote bedrijven zitten we ongeveer op het Europese gemiddelde. Maar we hebben geen grote bedrijven. Er zijn meer Fortune-500-bedrijven in Nederland, Zweden of Zuid-Korea dan in Italië.

„In de jaren negentig zijn grote bedrijven als Fiat, Pirelli, Italcementi, Merluzzi en Montedison verdwenen: ontmanteld of verkocht. Veel kleine bedrijven willen klein blijven. Soms omdat ze bij meer dan vijftien werknemers volgens de wet meer rechtszekerheid moesten bieden, soms om fiscale redenen – kleine bedrijven kunnen makkelijker ontduiken omdat je minder zichtbaar bent – of omdat ze niemand van buiten de familie bij het bestuur van het bedrijf wilden betrekken.

„We hebben veel ondernemers, maar weinig managers in Italië. Alleen een paar economen hebben het om nostalgische redenen nog over de kracht van het netwerk van familiebedrijven. Maar het is een zwakte geworden. Het zogeheten familiekapitalisme heeft de Italiaanse industrie vernield. We zijn het enige land waar de familie belangrijker is dan het bedrijf.”

6. Eigenlijk is de werkloosheid het hoofdprobleem.

„Het is waar dat er in Italië minder mensen werken dan in andere landen. De arbeidsparticipatie ligt op 62 procent, minder dan in Duitsland of Frankrijk. De werkloosheid loopt tegen de 10 procent. Maar het echte probleem is dat er weinig high value jobs zijn, ook al omdat er weinig grote bedrijven zijn. Vergeleken met andere landen hebben relatief weinig mensen een schooldiploma. Waarom zou je ook? In de traditie van familiebedrijven wordt de rijkdom van vader op zoon overgedragen. Daarvoor hoef je niet te studeren. Dat lage scholingsniveau en de lage arbeidsproductiviteit, die ver onder het niveau van Frankrijk of Duitsland liggen, dat zijn de echte problemen op het gebied van de werkgelegenheid.”

7. Italië groeit niet omdat het achtergebleven zuiden een blok aan het been is van het rijke noorden.

„Het is grote kletskoek om te zeggen dat het noorden economisch de kar trekt en dat het zuiden de groeimogelijkheden van het noorden afremt. In vrijwel alle landen zijn grote verschillen tussen regio’s. In Duitsland is het verschil tussen Hamburg en Saksen zeker zo groot als dat tussen het noorden en het zuiden van Italië. Als politici niet meer weten wat ze moeten doen, roepen ze dat het zuiden het probleem is.”

(Op 27 november is een onjuiste verwijzing naar de Corruptie-index van Transparency International uit dit artikel verwijderd)