Het ongemak in Den Haag na het voetbalracisme

Racisme Het maatschappelijke debat over racisme drong na het incident in Den Bosch maar moeizaam door in Den Haag. Waarom?

De meestbesproken voetbalclubs van deze week kwamen vrijdagavond in actie – voetballend en als makers van statements. Bij FC Den Bosch, de club in de verdomhoek door supportersracisme, traden de spelers – uit tegen Almere City (0-2) – aan in shirts met opdruk.
De meestbesproken voetbalclubs van deze week kwamen vrijdagavond in actie – voetballend en als makers van statements. Bij FC Den Bosch, de club in de verdomhoek door supportersracisme, traden de spelers – uit tegen Almere City (0-2) – aan in shirts met opdruk. Foto Robin Utrecht

Farid Azarkan, Kamerlid voor Denk, weet hoe het is om racistisch bejegend te worden op het voetbalveld. „K-Marokkaan, donder op naar je eigen land, je hoort hier niet. Er werd ‘minder, minder’ geroepen langs de lijn toen ik trainer was.” Dus toen hij deze zondag zag hoe Excelsior-speler Ahmad Mendes Moreira racistische scheldwoorden toegeroepen kreeg door supporters van FC Den Bosch kon hij zich verplaatsen in de speler. „Ik voelde zijn pijn.”

Azarkan weet hoe belangrijk het is dat je omgeving direct reageert. „Als je te weinig of geen steun krijgt, dan ben jij geïsoleerd en daarmee af.” De politiek, vindt hij, kan „moreel het verschil maken in hoe er in de samenleving op gereageerd wordt.”

Politieke reacties waren er ook wel. Kamerleden van verschillende partijen lieten van zich horen, onder wie fractievoorzitters Lodewijk Asscher (PvdA), Gert-Jan Segers (ChristenUnie), Jesse Klaver (GroenLinks) en Rob Jetten (D66). Ze noemden het gedrag van de supporters schandalig, ze waren verdrietig of woedend. En ze complimenteerden de scheidsrechter die de wedstrijd even stillegde.

Maar andere fractievoorzitters deden dat niet. Klaas Dijkhoff (VVD), laat dinsdag desgevraagd weten dat hij er zondag wel over had gelezen. Het gedrag van de supporters van FC Den Bosch kwalificeert hij als „belachelijk”. Maar hij had die opvatting niet eerder met de rest van Nederland gedeeld omdat hij „op zondag met andere dingen bezig is”. En omdat hij niet de behoefte had om zich aan te sluiten bij schande roepende politici. „Ik wil niet schande roepen en dan de volgende keer weer schande roepen.” En: „Ik houd mijn mond niet, als ik dat weekend ergens aan een talkshowtafel had gezeten, had ik er iets van gezegd.”

Geen racisme ervaren

CDA-fractievoorzitter Pieter Heerma sprak zich er het afgelopen weekend ook niet over uit. „Onze woordvoerder heeft stevig stelling genomen. Ik heb niet een hele snelle Twitter-trigger finger, zeker niet in het weekend. Het is niet zo dat als je niet direct na vijf minuten ergens over twittert dat je het daarmee geen probleem vindt.” Maar maandag kwam er ook geen reactie, dinsdag en woensdag ook niet. „Ik twitter over héél veel dingen niet. Dat betekent niet dat ik het niet belangrijk vind.”

Fractievoorzitter van Forum voor Democratie Thierry Baudet: „FC Den Bosch? Wat is daar gebeurd dan? Daar heb ik echt niets van meegekregen.” Nadat hij is bijgepraat: „O, wat rot voor die jongen. Toch?”

Lees ook: Spelers FC Den Bosch over racisme: Ik kon nauwelijks slapen van boosheid

Wat zondag gebeurde op de tribunes van stadion De Vliert is niet nieuw. Racisme en discriminatie vinden plaats op de woningmarkt, op de arbeidsmarkt, binnen het politieapparaat, er loopt een onderzoek naar etnisch profileren door de Belastingdienst. Het is, zegt Heerma, een „sluimerend, onderschat probleem waar niet altijd adequaat op wordt gereageerd.”

„Den Bosch is geen incident, racisme ligt diep in de samenleving verankerd”, zegt ook Asscher. „Het is een misverstand om te denken dat mensen ’s ochtends een nazi-uniform aantrekken en dan denken: dan gaan we nu mensen racistisch bejegenen. Mensen hebben bewust of onbewust vooroordelen, en op basis daarvan maken ze keuzes – vaak zonder slechte intenties. Maar het effect daarvan is dat je medeburgers gekwetst worden om wie ze zijn. En als dat lang blijft voortbestaan dan kun je niet meer zeggen dat het aan individuele daders ligt.”

Toch lijkt de bestrijding van racisme geen politieke prioriteit. Het is sporadisch onderwerp van een algemeen overleg, waarin Kamerleden met een vakminister om tafel gaan. Maar het is geen terugkerend thema. Tijdens de meest recente Algemene Politieke Beschouwingen, waarin politieke partijen hun maatschappijvisie geven, kwamen racisme en discriminatie soms voor in een (bij)zin – in de meeste verhalen helemaal niet.

Terwijl het debat over Zwarte Piet maatschappelijk hoog oploopt was de laatste keer dat de Kamer het tot onderwerp maakte in 2017, dat ging over een initiatiefwet van PVV-Kamerlid Martin Bosma waarin hij het uiterlijk van Zwarte Piet wilde vastleggen.

Dat racisme geen politieke prioriteit lijkt, valt deels te verklaren door de samenstelling van het parlement zelf. Uit onderzoek naar de politieke vertegenwoordiging van minderheden in de Tweede Kamer blijkt dat linkse partijen het vaakst kandidaten met een migratieachtergrond op hun lijst hebben staan. Turkse- en Marokkaanse- Nederlanders zijn zelfs oververtegenwoordigd. Maar er zijn nul Kamerleden met een donkere huidskleur.

Lees ook: Het interview met oud-profvoetballer Andwelé Slory en zijn moeder: ‘We groeien op met racistische uitingen. Ze komen niet uit het niets’

Dat wil niet zeggen dat politici die niet van kleur zijn racisme niet zien. Het betreft alleen geen eigen ervaring, en dat kan wel degelijk van invloed zijn op hoeveel prioriteit ze aan het onderwerp geven. Dat rechtse partijen minder mensen met een etnische achtergrond op hun lijst hebben staan, verklaart ook waarom die partijen zich minder snel uitlaten over racisme. Het is een onderwerp dat hun achterban minder vaak direct raakt: minderheden stemmen vaker op links.

‘Overschat rol politici niet’

Na een racistisch incident zoals in Den Bosch richt de aandacht zich op de politiek. Maandag riep de aanvoerder van het Nederlands elftal, Georginio Wijnaldum, de politiek op om „keihard” op te treden. De dag erna werd Mark Rutte door de Kamer gedwongen zich uit te spreken. Op dit thema houdt Rutte zich op de achtergrond: hij is geen premier met een morele boodschap. In eerste instantie stuurde hij minister Bruno Bruins (Zorg, VVD) om Kamervragen over het racisme in Den Bosch te beantwoorden. Maar de Kamer wilde dat de premier er zelf bij zou zijn.

Lees ook: Voetbalracisme: doe niet als Italië, wel als Engeland

En dus sprak Mark Rutte zich dinsdag niet alleen voor de camera’s maar ook in de vergaderzaal van de Tweede Kamer uit over het racisme dat Nederland drie dagen eerder van heel dichtbij had kunnen aanschouwen. Hij had de beelden van Mendes Moreira gezien. „Als dat het land is waarin wij wonen, dan kunnen we het tentje beter morgen sluiten.” Maar hij herhaalde ook steeds: de politiek kan racisme niet doen verdwijnen, de oplossing ligt ook bij de maatschappij. Mensen moeten elkaar aanspreken op gedrag.

Racisme, vindt ook Dijkhoff, is een maatschappelijk probleem. De rol van de politiek moet volgens hem niet overschat worden. „Ik kan normeren. Dat doe ik ook, bijvoorbeeld in een speech op het VVD-congres. Maar dat doe ik dan vanuit ideologie en niet incident-gedreven.” Maar hij vraagt zich af of supporters echt luisteren naar politici die zeggen dat het fout is wat ze doen. „Ik denk dat het meer helpt als Johan Derksen dat doet.”