Foto Frank Ruiter

Interview

Ze deed onderzoek naar haar familie, tot diep in de zeventiende eeuw

Familieonderzoek Enny de Bruijn (51), journalist bij het Reformatorisch Dagblad, deed onderzoek naar haar boerenfamilie in Herwijnen en vond een schat: zeven zware folianten met brieven uit de achttiende eeuw. Ze schreef er een boek over, De hoeve en het hart.

Zoals een ander aanleg heeft voor muziek of wiskunde, zegt Enny de Bruijn, zo heeft zij aanleg voor geschiedenis. Ze denkt dat het komt door de verhalen van haar moeder vroeger over het leven op de boerderij, in het dorp Herwijnen aan de Waal. „Ze is van 1931 en ze vertelde over de uitgehongerde jongetjes uit Rotterdam die in de oorlog over de dijk kwamen aanlopen. Een van die jongetjes stortte bij hen voor de deur in en is heel de winter bij hen gebleven. Elke dag werden er ketels aardappelen gekookt voor de mensen uit de stad die onderweg waren om eten te kopen en bij hen mochten slapen in het achterhuis. Iedereen moest helpen schillen.”

Zelf is Enny de Bruijn van 1968 en ze groeide op in de Bommelerwaard, niet ver van Herwijnen. Ze studeerde Nederlands aan de Universiteit Utrecht, met historische letterkunde als specialisatie, en werkt sinds 1996 bij het Reformatorisch Dagblad. Een paar jaar eerder was ze onderzoek gaan doen naar haar familie in Herwijnen, tot diep in de zeventiende eeuw, en nu heeft ze daar een boek over geschreven: De hoeve en het hart, een boerenfamilie in de Gouden Eeuw. Het gaat over oorlog en plunderende soldaten, over doodslag en verzoening, over seksualiteit en trouwbeloften en al dan niet verboden liefdesrelaties, over geld en moraal en het geloof, over de ononderbroken strijd tegen het water die gezamenlijk gevoerd moet worden, en soms gruwelijk verloren wordt, en dat alles gebaseerd op archieven en andere bronnen uit het verleden.

Het begon met gesprekken, zegt ze. Grootouders, oudtantes, oudooms. Een van hen gaf haar een boekje dat ooit van hun voorvader Crijn de Bruijn was geweest, Korte schets der godlyke waarheden. Crijn had er, in 1749, zijn handtekening in gezet en er een boodschap bij geschreven waarin hij de eerlijke vinder een beloning beloofde. Een boekje van niks, maar voor Enny de Bruijn was het een reden om door te gaan met haar onderzoek. In de kaartenbakken van het toenmalige Centraal Bureau voor Genealogie vond ze – en dit is waar iedere onderzoeker op hoopt – een verwijzing naar de correspondentie van een zekere Gijsbert van Rijckhuijsen. Dat was een boerenzoon die in 1726 van Herwijnen naar Leiden was verhuisd. Hij vond werk als knecht van de burgemeester en later als stadsbode. Hij trouwde met een chirurgijnsdochter, die al kort na hun huwelijk ziek zou worden en verslaafd zou raken aan alcohol. Ze stierf jong.

Een zorgvuldig man, deze Gijsbert, met aanleg voor geschiedenis ook, want van de brieven die hij ontvangt – van zijn vader Arien, zijn zuster Aaltje, zijn zwager Leendert en andere familie – en van de brieven die hij zelf schrijft maakt hij eigenhandig kopieën, en bij zijn dood in 1771 liggen er zeven zware folianten bij hem in de kast. Die vermaakt hij aan de Leidse universiteit en meer dan twee eeuwen later komen ze Enny de Bruijn onder ogen. Die begrijpt meteen wat een geweldige schat dit is. Brieven van boeren die schrijven over hun dagelijks leven, en dan van zo lang geleden – een zeldzaamheid. „Het was prachtig materiaal voor een boek.”

Maar zelf dacht ze er niet over om dat te schrijven, toen nog niet. „Zo’n boek heeft een ontwikkeling nodig, een rode draad. En die zag ik niet in de brieven. Het zijn verhalen van dorpsmensen die met elkaar zitten te praten. ‘Weet je dat je nicht getrouwd is en moet je nog erwten hebben? O ja, die en die is overleden, had je het al gehoord?’ De namen van ‘die en die’ zeiden mij dan niets.”

Ze richtte zich op haar werk op de cultuurredactie van het Reformatorisch Dagblad. „In mijn beginjaren vond ik het best lastig om met de verschillende stromingen onder het reformatorische lezerspubliek om te gaan. Vanouds was een groot deel behoorlijk cultuurmijdend: geen film, geen televisie, geen moderne literatuur. Voor je het weet, was de redenering, ga je in de seculiere manier van denken en voelen mee en verlies je je geloof. Maar er waren ook altijd mensen die wat opener in de cultuur stonden, en internet heeft die ontwikkeling versneld. Ik wilde allebei die houdingen begrijpen.”

Ze voelde in die tijd de behoefte, zegt ze, om de oorsprong van het reformatorische denken over cultuur te onderzoeken en kwam uit bij de zeventiende-eeuwse dominee en dichter Jacob Revius, een van de belangrijkste gereformeerde opinieleiders van zijn tijd. Ze schreef een wetenschappelijke biografie van hem, Eerst de waarheid, dan de vrede, en promoveerde er ook op, in 2012. „Na een jaar begon ik de archieven te missen en toen schoven de brieven van Gijsbert weer naar voren. Het leek me mooi om die vergeten boerencultuur in kaart te gaan brengen – breder dan alleen de geschiedenis van mijn eigen familie.”

Samen met zijn vader Arien deed Gijsbert waar Enny de Bruijn ook mee begonnen was: zoeken naar verhalen uit de familie. De boeren uit hun omgeving vragen hun waarom ze zich ermee bezighouden, wat heb je daar nu aan?” Ja, wat heb je eraan. In economische termen niets. Gijsbert en zijn vader Arien zijn gewoon nieuwsgierig. Ze horen bij de weinige mensen in hun tijd die graag lezen en zich willen ontwikkelen.

In hun familieonderzoek gaan ze terug tot 1600, drie generaties voor hen, en Enny de Bruijn gaat in De hoeve en het hart met hen mee. Ze schrijft over de koppige Alart Gijsberts, die eindeloze processen voert over het bezit van een stuk land en in 1614 door doodslag om het leven komt, waarschijnlijk bij een vechtpartij in een herberg. Ze laat zien hoe vaak er gevochten wordt in Herwijnen, soms ook door schoolmeesters en de predikanten, of door de vrouwen, en wat er gebeurt als er doden vallen: de dader verdwijnt uit het dorp, wordt bij verstek veroordeeld, schrijft na een jaar of drie een brief naar het Hof van Gelre met een verzoek tot kwijtschelding, komt terug, betaalt een boete en gaat door met zijn leven. Maar een eeuw later is het niet meer zo. „Die wilde wereld verdwijnt, de overheid en de kerk krijgen grip op de mensen en je ziet dat de achttiende eeuw rustiger wordt, burgerlijker, beschaafder.”

NRC gaf ‘De hoeve en het hart’ vier ballen. Lees ook de recensie: Hoe de woeste Betuwenaren werden getemd

Ze laat ook zien dat de boeren in Herwijnen veel meer paarden hadden dan er op de belastinglijsten uit die tijd geregistreerd staan, en dat al die illegale paarden vermoedelijk verkocht werden aan de legers ten zuiden van de grote rivieren, of het nu die van de Spanjaarden of de Fransen waren, of die van de Hollanders. Voor de boeren in Herwijnen was het vaderland nog niet veel groter dan het eigen dorp, de eigen streek, en net als overal in het land werd er volop gesmokkeld. Er waren boeren die op die manier schatrijk werden en met hun zwart verdiende geld de bezittingen van de verarmde adel opkochten. Een generatie later waren zij de nieuwe elite.

Het intiemst is De hoeve en het hart als het gaat over de brieven van Gijsberts zuster Aaltje. „Alsof ze tegen je praat”, zegt Enny de Bruijn. Voor Aaltje geen Franse school in Beesd en geen carrière in Leiden, zoals voor haar broer, die op zijn negentiende al gepoederde pruiken draagt en zijn ouders opdraagt om voor hem in Gorinchem een lichtblauwe broek en ‘halve hembden’ te laten maken, want hij verkeert nu niet meer tussen ‘geringe lieden’, maar tussen ‘luijden van fatzoen’. Hij wil goed voor de dag komen. Aaltje leert na de lagere school melken en karnen, koken, kaas en worst maken, boenen en dweilen, groente en vlees inmaken, wassen en strijken – al het vrouwenwerk. Ze krijgt tien kinderen, van wie er zeven in leven blijven, en heeft vaak grote zorgen. „Economische neergang, veepest, watersnood”, zegt Enny de Bruijn. „En toch maakt ze een gelukkige indruk. Ze is slim en haar man Leendert moet haar betrokken hebben bij alle besluiten over het bedrijf en al zijn bestuurswerk in het dorp, want in haar brieven aan haar broer schrijft ze daarover.”

De mooiste brieven gaan over haar vader Arien, als die oud is en langzaam aftakelt. Hij lijdt aan ‘koude jigt’, krijgt dikke benen, kan niet meer schrijven of lopen en niet meer naar de kerk of het avondmaal, hij wordt bedlegerig. Aaltje, hoogzwanger, verzorgt hem, al doet ze dat ‘dikmaals met traanende ogen’. Ook van het laatste bezoek van de dominee doet ze verslag. Die vraagt of hij voor hem zal bidden en dat wil Arien wel. Hij zegt ‘jaa’ en geeft ‘den predicant de hant’. „Betekende het dat hij de dood aanvaardde?”, zegt Enny de Bruijn. „Verlangde hij naar de hemel? Of was hij bang?”

Dat had ze graag willen weten. Ze had nog dichterbij willen komen. Maar over dat soort gevoelens schreef Aaltje helaas niet.