Tim Krabbé

Foto Merlijn Doomernik

Interview

'Als je iets schrijft wat ik niet wil, vermoord ik je', zei Ferdi E.

Interview Tim Krabbé Hij ging 142 keer in de gevangenis op bezoek bij Ferdi E., de „uitermate amateuristische” ontvoerder en moordenaar van Gerrit-Jan Heijn. „Voor een geslaagde misdaad is een beroepscrimineel nodig. Voor een interessante een amateur.”

‘Het was toch niet niks, Ferdi en ik”, schrijft Tim Krabbé in Vrienden. „Met geen andere man heb ik zoveel gepraat. En we konden elkaar goed gebruiken. Hij mij als brug naar de gewone wereld, ik hem om de zwarte glans die de omgang met die beroemde moordenaar me gaf. En om de droom dat ik ooit dit boek zou kunnen schrijven, over het menselijke van een uniek exces.”

Toch is Vrienden een boek dat er heel lang niet leek te komen. Krabbé heeft de afgelopen decennia vaak voor de kast met ordners gestaan waar hij de correspondentie met Ferdi E. en diens vrouw Els in bewaarde. Plus de uitvoerige gespreksverslagen van alle 142 keer dat hij E. tijdens diens gevangenschap heeft bezocht. „Altijd met een licht schuldgevoel omdat ik niks met het materiaal deed.” Maar hij had het plan nou eenmaal uit zijn hoofd gezet. „In eerste instantie omdat Ferdi het niet wilde. Bovendien was er een moreel dilemma; als Ferdi al met het plan instemde wilde hij er geld voor hebben. Ik vond dat ik het tegenover mezelf niet kon maken om een moordenaar te betalen voor zijn verhaal.” Totdat hij in februari 2015, bijna zes jaar na de dood van Ferdi E., besloot toch te gaan schrijven. Het leverde een even dik (800 bladzijden) als intrigerend verslag op van de vriendschap tussen de schrijver en de ‘niet-criminele crimineel’.

Toen Ahold-topman Gerrit Jan Heijn in september 1987 ontvoerd werd, voelde Krabbé nog weinig fascinatie voor de zaak. „Ik dacht: gewoon een ontvoering. Na een tijdje wordt er losgeld betaald en is het weer achter de rug.” De fascinatie kwam pas toen de ontvoering een vermissing werd. Pas na zeven maanden bleek dat de dader van de ontvoering (en de moord) een werkloze vliegtuigbouwkundig ingenieur uit Landsmeer was. Een gewone man van 45, zonder strafblad, die blijkbaar vanuit het niets een kolossaal misdrijf had gepleegd, en ook nog eens maandenlang uit handen van politie en justitie had weten te blijven. „Een man van mijn stramien: ontwikkeld, belezen. Een gezinsman met drie schoolgaande kinderen, getrouwd met een kunstenares. Els illustreerde Intermagazine, waar ik in die tijd nota bene zelf voor schreef. Ik had ze zo kunnen tegenkomen op een borreltje bij een expositie.”

Krabbé zocht contact met de vrouw van Ferdi. Hij schreef haar dat hij een boek over de zaak wilde maken. Er ontspon zich al snel een uitvoerige correspondentie. „Ze had duidelijk een klankbord nodig, iemand aan wie ze alles opnieuw kon vertellen.” Hun briefwisseling werd al gauw intenser, „op het flirterige af”. Uiteindelijk deelden ze zelfs een paar keer het bed met elkaar, terwijl Ferdi in de gevangenis zat (en van niks wist). Na vier maanden kwam het tot een ontmoeting met Ferdi zelf, in de Bijlmerbajes. Die liet geen enkel misverstand bestaan over Krabbé’s plannen voor een boek. „Als je iets schrijft wat ik niet wil, vermoord ik je.” Hij was er niet door geïntimideerd, zegt Krabbé. „Ik vond het eerder een beetje zielig. Een ontwikkeld mens, afgestudeerd ingenieur, die zóiets zegt... Dan is er veel niet goed gegaan in je leven.”

U schrijft over die eerste ontmoeting: ‘Ik zag een vechtmachine, maar wel een kapotte’. Waar vocht die vechtmachine precies tegen?

„Ferdi voelde zich maatschappelijk mislukt. Het was hem niet gelukt om ergens langere tijd succesvol in een baan te functioneren. Zoals hij zelf zei: ‘Ik ben van mijn maatschappelijke existentie beroofd’. In de gevangenis werd hij geleidelijk aan rustiger. Hij hoefde zich daar niet meer waar te maken.”

Of hád hij zich juist waargemaakt via deze misdaad?

„Dat is speculatie. Ik heb regelmatig tegen hem gezegd: je moest van je ouders een belangrijk mens worden. Nu was je maandenlang de meest gezochte man van Nederland. Heb je daar niet een zeker genoegen aan ontleend? Dan werd hij kwaad. ‘Wie dát zegt, snapt er helemaal niets van’.”

In de auto, op weg naar het huis van Gerrit Jan Heijn in Bloemendaal, dient het politieverhoor van Ferdi E. als routekaart. „Omstreeks 7.05 heb ik gas getankt bij het benzinestation gelegen in de gemeente Santpoort tussen de Velsertunnel en Haarlem. Daarna reed ik naar Bloemendaal.” De pomp is er nog, wijst Krabbé. We parkeren vrijwel op de plek waar later de auto van Heijn werd teruggevonden. „Hier zijn ze overgestapt in de gestolen Fiat van Ferdi.”

De route voert langs lommerrijke lanen, waar de kapitale huizen aan het zicht worden onttrokken door hoge heggen. Dit is de laatste wandeling die Ferdi aflegde voordat hij zijn misdaad beging, nog als gewoon mens. „Maar hij kon allang niet meer terug. In zijn hoofd was iets onomkeerbaars in gang gezet.”

Een commando op missie

Het is een macaber besef dat E. op die vroege septembermorgen in 1987 langs deze zelfde bomen is gelopen, zijn geweer verstopt onder zijn lange jas. Als een commando op missie, op weg naar het huis van Heijn. „Ferdi met moord in de zin, terwijl Gerrit Jan ondertussen nietsvermoedend aan zijn eitje zat.” We passeren een schoolgebouw, in de buurt van de woning. Niet veel verder is de garage van Heijn, waar E. een uur lang op zijn hurken heeft zitten wachten tot zijn prooi naar buiten zou komen. Een enorm risico, met honderden kinderen die rond dat tijdstip naar school gingen. „Wat zou er gebeurd zijn als Heijn net op dat moment naar buiten was gekomen?”

Om het huis zijn duidelijk camera’s aanwezig. E. vertelde later dat hij daar niet eens op gelet had. „Dat is natuurlijk uitermate amateuristisch.” Maar Ferdi had geluk, en Heijn pech. Toen de Ahold-topman rond half negen zijn auto uit de garage reed, is E. bij hem ingestapt. Ze reden naar de plek waar de Fiat stond. Nadat E. Heijn had vastgeketend aan zijn stoel, zijn ze in Ferdi’s auto naar een natuurgebied bij Renkum gereden. Daar hebben ze uren gewandeld, geluncht met door E. meegebrachte broodjes en sinaasappelsap. Zogenaamd wachtend op de ‘maat’ aan wie E. Heijn ’s avonds zou overdragen.

Het moet Heijn wel verwonderd hebben dat Ferdi hem cijfers liet inspreken op een bandje. En achteraf was het een veeg teken dat Ferdi de wijnvlek op een van zijn handen aanvankelijk nog verborg onder handschoenen, maar dat hij die handschoenen later die middag gewoon uittrok. „Heijn had daaruit misschien kunnen concluderen dat het er voor Ferdi niet toe deed of hij later zo’n opvallend lichaamskenmerk zou kunnen beschrijven, omdat er voor hem geen ‘later’ meer zou komen.” Heijn zei nog wel: „uw snor zit scheef” en „u maakt een desperate indruk”. „Maar hij heeft vermoedelijk nooit kunnen bevroeden dat het zo af zou lopen.”

Dertien uur zouden ze samen doorbrengen. Toen het donker werd, bood Ferdi Heijn nog een jas aan tegen de kou. „Uit alles moest zorgzaamheid blijken, zodat Heijn geen argwaan zou krijgen.” Omstreeks half tien die avond zei Ferdi tegen Heijn: „Stil ’ns, ik hoor wat.” Heijn luisterde met gespitste oren, terwijl Ferdi de geweerloop ondertussen op zijn achterhoofd richtte en schoot. Hij rolde hem vervolgens uit de jas en begroef hem in een vooraf geprepareerd graf. Voordien sneed hij nog de linkerpink van Heijn af – „ergens tussen het eerste en tweede vingerkootje” – om die vinger vervolgens in een meegebracht kokertje met ijs te koelen en mee naar huis te nemen, om ’m later in te zetten als pressiemiddel. Thuis lag de vinger daarna enige tijd in het vriesvak, „letterlijk achter de spinazie”.

Els beschreef later in een brief aan Krabbé wat er volgens Ferdi direct na de moord was gebeurd. „Nadat hij Heijn door het hoofd had geschoten en in elkaar had zien zakken en nadat hij de pols van Heijn had gevoeld en zeker wist dat de man dood was, is Ferdi uitgebarsten in een vreugdedans. Hij heeft als een Indiaan door het bos gesprongen, lachend, handen boven zijn hoofd, ‘het is gelukt, het is gelukt’. Daarna is hij op zijn knieën gevallen en heeft uitzinnig van blijdschap de aarde gekust, steeds maar weer, tot hij tot het besef kwam dat hij nog het een en ander te doen had.”

„Hoe wrang en wreed ook, ik kan me er iets bij voorstellen”, zegt Krabbé. „Er viel zo’n enorme spanning van hem af. Het moeilijkste was achter de rug. Die hele dag had aan elkaar gehangen van momenten waarop het makkelijk fout had kunnen gaan. Ze hadden in het Deelerwoud andere wandelaars tegen kunnen komen. Een passerende automobiliste heeft hem zelfs met een geweer zien lopen, achter Heijn aan. En Heijn heeft nog gewenkt naar een passerende streekbus. Ferdi was ook heel bang dat hij letterlijk zou moeten kotsen bij het doodschieten. Het deed hem echt iets. Op weg naar huis werd-ie overvallen door wat hij ‘een verdrietige euforie’ noemde. Voordat hij de dag afsloot met een paar cognacs is hij eerst nog thuis geweest om stiekem wat dingen uit te laden. Dat had Els makkelijk kunnen horen. Daarna is hij de auto in het IJ gaan duwen, vlakbij het Wilhelminadok. Dat gaf een enorme klap, vertelde hij later. Het is daar bepaald geen onbewoond eiland. Ook daar had het makkelijk nog mis kunnen gaan.”

Het mes (voor de pink) waste hij af en legde hij weer terug in de keukenla. De jas die Heijn om had gehad rook zo naar diens aftershave dat Ferdi die in de wasmachine stopte voor hij hem weer terughing aan de kapstok.

Wraak op de geslaagde wereld

Thuis in Amsterdam legt Krabbé twee handenvol kleurige boemerangs op tafel. Door Ferdi gemaakt tijdens zijn gevangenschap, als cadeau voor Krabbé. „Zie je hoe mooi ze zijn afgewerkt?”, zegt hij, terwijl zijn vingers het hout strelen. En inderdaad, ze zijn vederlicht en zacht als fluweel. Geschuurd met voelbare tederheid, maar wel door handen die ook hebben gedood. Net als het schaakspel, dat E. voor Krabbé maakte. Elk stuk is opgebouwd uit zorgvuldig bewerkte, ragfijne houten pyramidetjes. „Hij zei een keer: ik ben de hele middag bezig geweest om één paard te lijmen.”

Lees ook: De vrienden Tim Krabbé en Ferdi E.

E.’s motief voor zijn misdaad was diffuus, zegt Krabbé. „Tegen de politie zei hij dat hij wraak wilde nemen op een aantal ‘collega’s’ uit Nijmegen. Daar had hij begin jaren 80 een succesvol werkgelegenheidsproject opgezet. Dat werkte uitstekend. Iedereen vond ’m geniaal. Hij had alleen wat stromannen nodig, die samen met hem het stichtingsbestuur konden vormen. Uiteindelijk hebben die mannen hem op een nogal valse manier uit zijn eigen project gewerkt. Maar wraak op hen was niet de enige reden. Het was een amalgaam van redenen. Het was wraak op de geslaagde wereld, op zijn moeder. En hij haalde geld binnen. Hij wilde weg uit zijn gezin, omdat het daar ook niet soepel liep. Alleen wilde hij ze niet onverzorgd achterlaten. Daar had hij geld voor nodig.”

Krabbé heeft tijdens de lange gesprekken met E. vaak gevraagd waarom hij Heijn zo rücksichtslos doodde. Hij kon niet anders, vond Ferdi. „Omdat hij de ontvoering in z’n eentje uitvoerde, had hij nooit voor een ontvoerde man kunnen zorgen. ‘En dus moest ik hem vermoorden.’ Dan zei ik: dat ‘dus’ is heel raar. Het ‘dus’ had moeten zijn: dus doe ik het niet.”

U schrijft: ‘Voor een geslaagde misdaad is een beroepscrimineel nodig. Voor een interessante een amateur’.

„Hij was inderdaad een amateur. Maar wel een begaafde. In de gevangenis waren andere boeven ook bovenmatig geïnteresseerd in hoe hij in staat was geweest om dat losgeld (450.000 gulden en 8 miljoen aan diamantjes) mee te nemen zonder gepakt te worden. Op een oude fiets, in een bos vol politie. Dat wás ook tamelijk geniaal. Zijn grootste fout was dat-ie diamantjes had gevraagd. De hoogste waarde per gewichtseenheid, veel hoger dan goud. Alleen kun je ze met geen mogelijkheid kwijt. Hij heeft de buit maandenlang in de kruipruimte van zijn huis bewaard. Uiteindelijk heeft hij er nauwelijks iets van uitgegeven. Hij heeft een nieuwe CV-ketel gekocht, en een elektrische deken. En fietslampjes voor om je arm.”

Hij gaf Els zo’n fietslampje cadeau met Sinterklaas, nog tijdens de vermissing. In het bijbehorende gedicht hintte hij op de herkomst van het geld. ‘Wie rijdt er zo laat nog door weer en wind / het is een kunstenaar mijn vrind / Zoals Sint dit van G. heeft gestolen / zo heeft zij ‘de eeuwigheid’ bevolen.’ „In feite was dat een halve bekentenis.”

Het heeft ook iets heel zieks.

„Zonder twijfel. Maar kennelijk had-ie behoefte om het op te schrijven.”

Heeft Els er nooit iets van geweten?

„Ze had hooguit vage vermoedens. Op de dag van de ontvoering was Ferdi de hele dag spoorloos, ze vond vreemde aantekeningen op zijn bureau, hij had ineens geld voor cadeaus. Als je een optelsom had gemaakt, dan was je hier misschien op uitgekomen. Maar wie verwacht zoiets nou? Pas toen op die vroege ochtend in april 1988 de politie binnenviel dacht ze in een flits: ‘Heijn!’ Niemand in het gezin heeft ooit serieuze verdenkingen gekoesterd. Ze hoorden een keer op de radio over ‘ontwikkelingen in de zaak-Heijn’. Zijn dochter zei toen diep verontwaardigd: ‘Dat kan nooit een man met een gezin zijn. Zoiets doe je je gezin niet aan’. Dat was voor Ferdi een klap in zijn gezicht.”

Els, overleden in 2016, is wel echt de hoofdfiguur uit het boek, bijna meer dan Ferdi.

„Omdat zij zo’n ijzersterk en bewonderenswaardig mens was. Van Els heb ik echt gehouden. Ze is besprongen door alle soorten onheil die er maar bestaan. Daar bleek ze tegen bestand. En dan was ze ook nog talentvol, warm en gezellig.”

Hij gaf haar zelfs de schuld van de ontvoering.

„Els was verliefd geweest op een andere man. Dat nam Ferdi haar zeer kwalijk. In een kronkelredenering kwam hij tot de conclusie dat zij hem daarmee tot die daad gedreven had.”

Verbijsterend dat ze altijd bij hem is gebleven.

„Ze heeft het vaak uit willen maken. Maar uiteindelijk kon ze niet zonder hem.”

Hoe heeft het contact tussen Ferdi en u zich door de jaren heen ontwikkeld?

„Er ontstond wel degelijk een soort vriendschap. Anders bezoek je iemand niet 142 keer. Het was vaak gezellig. Soms helemaal niet. We hadden ook wel eens ruzie. Ik had ooit tegen hem gezegd dat we intellectueel behoorlijk aan elkaar gewaagd waren. Schreef-ie daarna in een brief: ‘Ik ben blij voor je dat ten minste één van ons het idee heeft dat we van ongeveer gelijk niveau zijn.’ Typisch Ferdi.”

Bent u ooit bang voor hem geweest?

„Niet echt. Later, toen ik na zijn vrijlating bij hen logeerde in Ruurlo, ging het wel door mijn hoofd: ‘hij zou mij nu best iets kunnen aandoen’. Want hij wist toen inmiddels ook dat ik met zijn vrouw naar bed was geweest. Els heeft wel eens verteld dat zij in de gevangenis, wanneer zij met Ferdi in het ‘kamertje zonder toezicht’ was, soms dacht: ‘Hij zou mij nu zo kunnen wurgen. Het is toch een moordenaar’.”

Merkte u iets van schuldbesef?

„Hij had er zeker spijt van. Vooral om wat hij zijn gezin en dat van de familie Heijn had aangedaan. Tegelijk rationaliseerde hij zijn daad. Hij vond zichzelf geen moordenaar. ‘Iemand die een keer een schoen lapt, is nog geen schoenlapper’. Waarop zijn dochter zei: ‘Iemand die iedere dag een moord pleegt is een beroepsmoordenaar, iemand die één moord pleegt is een moordenaar’.”

Hij is gepakt toen hij het losgeld ging uitgeven. Er is vaak gedacht dat hij dat deed omdat hij erkenning voor zijn daad wilde.

„Dat ontkende hij zelf pertinent. Maar het ligt voor de hand. Hij kon eigenlijk weinig met het geld. Het loste niks op.”

Aan het eind van het boek noteert u: ‘Bij het schrijven kwam de weemoed...’

„Zo wás het ook. Mijn gedachte over hem was gestold in ‘ik mocht hem niet’. Toen ik al die jaren weer doorliep, ontdekte ik dat ik hem vaak wel degelijk mocht. Zoals ik het beschrijf in mijn boek: hij was een rare jongen, een klootzak en een onuitstaanbare lastpak soms, een beschadigde man, een moordenaar niet te vergeten, maar ook open, argeloos, geestig, een leuke vent. Dat was mijn beginselprogramma bij het schrijven: ik wilde een mens zien in een mens.”

Tim Krabbé: Vrienden. Een kroniek. Prometheus, 800 blz., € 24,99