Recensie

Recensie

Op het zompige perenveld hebben ze voor het eerst seks

Nana Ekvtimisjvili en Nino Haratischwili Deze debutant schreef een prachtige roman over een vervallen internaat voor gehandicapte kinderen in haar straatarme Georgië van de jaren negentig. (●●●●)

Tbilisi tijdens de Georgische burgeroorlog van 1991.
Tbilisi tijdens de Georgische burgeroorlog van 1991. Foto Antonio RIBEIRO/Gamma-Rapho via Getty Images

De Georgisch-Duitse schrijfster Nino Haratischwili heeft een grote verbeeldingskracht. Dat pakte goed uit in haar bestseller Het achtste leven (voor Brilka). Aan de hand van een Georgische familie vertelde ze daarin de gruwelijke geschiedenis van de Sovjet-Unie, waarin vooral de hoofdstukken over de Stalin-terreur een onvergetelijke indruk achterlieten. Je kon er kritiek op hebben, want haar hoofdpersonen maakten zo ongeveer alles mee wat je in de communistische dictatuur aan ellende kon overkomen, wat het geheel nogal ongeloofwaardig deed aanvoelen. Maar de vaak lichtvoetige toon van Haratischwili maakte dat je doorlas en je je kritiek terzijde schoof.

Lees ook: een NRC-interview met Haratischwili

In haar nieuwe roman De kat en de generaal probeert Haratischwili (1983) hetzelfde te doen als in Het achtste leven, maar dan in het Rusland van de jaren 1995-2016. En dit keer glijdt ze op alle vlakken uit. Het verhaal is zwak, de personages komen niet overtuigend over, de compositie is te voorspelbaar, en haar beschrijvingen zwelgen in clichés. Het geheel oogt als een soap en doet hoogstens denken aan een mislukte John le Carré.

Om haar verhaal te vertellen springt Haratischwili heen en weer in de tijd en van personage naar personage. Het komt erop neer dat oligarch Aleksandr Orlov, bijgenaamd ‘de generaal’, wraak wil nemen op drie militairen met wie hij tijdens zijn militaire diensttijd in de Eerste Tsjetsjeense oorlog van 1995 iets vreselijks heeft meegemaakt. Het 17-jarige Tsjetsjeense meisje Noera, dat aan Orlov en zijn koksmaatje Aljosja stiekem buiten de legerbasis geslachte kippen verkocht, werd toen door zijn commandant Sjoejev en diens corrupte rechterhand Petroesjov gearresteerd op verdenking van terrorisme. Tijdens haar verhoor wordt ze mishandeld, verkracht en tenslotte door een van de aanwezige militairen gewurgd. Aljosja, die verliefd is op Noera, schiet zich tijdens die verkrachting met het pistool van Petroesjov door het hoofd.

Russische doofpot

Meteen hierna meldt de panische Orlov de moord bij de legerleiding. Hij wil dat de schuldigen, hijzelf als ‘getuige’ incluis, worden gestraft. Maar de doofpot is in Rusland machtiger dan gerechtigheid en Orlov wordt door zijn meerderen min of meer gedwongen te zwijgen. Twintig jaar lang houdt hij dat vol. In die tijd is hij in Rusland een invloedrijke en schatrijke aannemer geworden, die in Berlijn woont.

Vanuit die comfortabele positie kan hij eindelijk wraak nemen en eigen rechter spelen. Hij doet dat door een Georgische actrice, Kat, in te huren, die sprekend op Noera lijkt en deel van het complot wordt.

In Orlovs plan past ook de journalist Onno, die een biografie van de oligarch schrijft en in dat kader een verhouding met diens 19-jarige dochter Ada heeft gehad. Toen Ada de ware aard van Onno’s intenties ontdekte en via hem van haar vaders betrokkenheid bij de moord op Noera vernam, pleegde ze zelfmoord. Tot zover de kern van het verhaal.

Wraak nemen

Voor de beschrijving van de levens van haar personages duikt Haratischwili uitvoerig in het wilde, post-communistische Rusland van de jaren negentig. Ze sleept er alles bij wat je in die chaos kon tegenkomen en schroomt niet om zo nu en dan een braaf geschiedenislesje op te lepelen om haar lezers door die ingewikkelde periode te loodsen. Het levert een uitgewalst zwart-witbeeld op, dat bol staat van sentimentaliteit.

Noera’s beulen Petroesjov, Sjoejev en Zajka zet Haratischwili neer als stereotiepe slachtoffers van de chaos en armoede van die periode. Het is bijna alsof ze op die manier hun frustraties en agressie wil goedpraten. Want op een gegeven moment kun je ze niet anders zien dan als sukkels, die vanuit hun onmacht over de vernedering van het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 zoveel mogelijk wraak willen nemen, het doet er niet toe op wie.

Kat en Onno komen er even clichématig en oppervlakkig vanaf, vooral als het over hun ambities en de liefde gaat. Zo wil Kat op pagina 490 een van haar zeven ‘kattenlevens’ aan Noera afstaan door geheel in haar op te gaan en te beleven wat zij zou hebben beleefd als ze niet was vermoord. Op dat moment denk je meteen aan Lucinda Rileys Zeven zussen-serie.

Fraai debuut

Een geheel andere ervaring heb je bij het debuut Het perenveld van de Georgische schrijfster Nana Ekvtimisjvili (Tbilisi, 1978). Het is een prachtige roman, die vergeleken met De kat en de generaal over ‘niets’ gaat. Er staat geen enkel overbodig woord in en toch is het geheel overweldigend in zijn eenvoud, wat niet in de laatste plaats komt door de subtiele beschrijvingen van het troosteloze decor waarin het verhaal zich afspeelt.

Dat decor is een vervallen internaat voor geestelijk gehandicapte kinderen in het straatarme Georgië van de jaren negentig. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie is het landje weliswaar onafhankelijk geworden, maar weet niemand nog wat hij met zijn leven aan moet.

Die hopeloze situatie geldt onbewust ook voor de internaatskinderen, die in hun eigen, soms gewelddadige universum leven. De directrice heeft weinig gezag, sommige leraren zijn viespeuken en vergrijpen zich aan hun pupillen. Zoals aan Lela, een 18-jarig meisje dat een parkeerplaats op het internaatsterrein bewaakt, waar ze in het wachthokje slaapt. Ze is van plan haar vroegere geschiedenisleraar Vano te vermoorden, omdat hij haar in haar kindertijd heeft misbruikt.

Ontroerende telefoontjes

Tegenwoordig verkoopt Lela haar lichaam aan haar buurjongen Koba. Met dat geld financiert ze de Engelse lessen van het jongetje Irakli, een internaatsleerling die op het punt staat door een Amerikaans echtpaar te worden geadopteerd.

Lela is de indrukwekkende heldin in deze zeer geslaagde roman. Ze laat zien dat de meeste internaatskinderen helemaal geen ‘debielen’ zijn, zoals ze door hun omgeving worden genoemd, maar gewone kinderen die door hun ouders in de steek gelaten zijn. De kleine Irakli is daar een voorbeeld van. De wanhopige telefoongesprekken die hij voert met zijn moeder, die ineens naar Griekenland is vertrokken, behoren tot de ontroerendste passages van het boek.

En dan is er nog de Kertsjstraat waar het internaat ligt, in een buitenwijk van Tbilisi. Het grootste deel van de roman speelt zich daar af. Ekvtimisjvili zet die straat zo organisch neer, dat die bijna zelf een personage wordt.

Een andere symbolische rol is weggelegd voor het nabijgelegen, zompige perenveld, waar de kinderen stiekem bijeenkomen en soms, al dan niet onder dwang, voor het eerst seks hebben. Alleen daar voelen ze zich vrij. In de liefdeloze wereld die Ekvtimisjvili zo overtuigend neerzet, is dat laatste het enige dat hoop biedt.