Opinie

Remedie tegen nepnieuws

Column Harald Merckelbach Lessen in kritisch denken helpen kinderen hardnekkig nepnieuws te onderscheiden van serieuze berichten.

Harald Merckelbach

Nepnieuws was er vroeger ook al. Een aardig voorbeeld kwam ik tegen in het meinummer van Twijfel, het blad van de Rotterdamse filosofiefaculteit. Daarin wijdt de hoogleraar filosofiegeschiedenis Wiep van Bunge een prachtige beschouwing aan de gedichten van ene Ossian. Rond 1760 beweerde een tot dan toe volstrekt onbekende huisleraar tijdens zijn tocht langs de Schotse kuststreek middeleeuwse handschriften van deze bard te hebben ontdekt. Het was een sensatie van jewelste en maakte de huisleraar in een klap beroemd. Want de gedichten van Ossian beschreven een bloeiperiode van een vroege boreale civilisatie. Dat resoneerde toevallig verdomd goed met het opkomend Schots nationalisme. Maar al na korte tijd maakten wetenschappers kunstig gehakt van de ontdekking: de originele manuscripten bleken spoorloos, de inhoud van gedichten deed verdacht modern aan en alle pogingen om meer te vinden over de mysterieuze Ossian liepen op niets uit. De Schotse Homerus bleek een door de huisleraar verzonnen figuur. Nep luidde dus de slotconclusie, die in brede kring werd getrokken en daarmee was het demasqué tamelijk effectief.

Hoe zou het tegenwoordig aflopen met zo’n nepontdekking als die via Twitter en Facebook in roulatie wordt gebracht? Onderzoek van Amerikaanse computerwetenschappers stemt pessimistisch. Ze vonden dat op het wereldwijde web de leugen een langere adem heeft dan de waarheid. De wetenschappers namen over de periode 2006-2017 tienduizenden berichten onder de loep en bestudeerden hoe ze zich via Twitter voortplantten. Daarbij waren miljoenen gebruikers betrokken die allemaal samen zo’n 4,5 miljoen keer klikten om nieuws te retweeten. Nepnieuws werd bijna twee keer zo vaak doorgesluisd en was zes keer sneller in het bereiken van andere twitteraars dan op feiten gebaseerd nieuws.

Chocolademelk tegen hersenschudding

Waarom is dat zo? Een ding is dat nepnieuws vaak spannender is dan de saaie waarheid. Het uit de duim gezogen bericht over het meisje dat haar vriend neerstak omdat hij niet snel genoeg haar nieuwe profielfoto op Instagram van een like voorzag, doet het daarom nog altijd uitstekend. Het bericht werd in elkaar geflanst door een bedrijf dat reclamecentjes verdient met het digitaal lanceren van onderhoudende onzin. Het gaat om onschuldige nonsens waarvan we verder niet wakker hoeven te liggen.

Dat is toch anders voor nepnieuws waarbij belangen in het geding zijn, zoals die over medische ontdekkingen. Een voorbeeld is het bericht dat de ronde doet over een sapje uit Oostenrijk dat patiënten in 41 dagen volledig kan genezen van kanker. Of de ontdekking dat knoflookpillen afdoende helpen tegen hoge bloeddruk en atherosclerose. Pijnlijk genoeg wordt dat soort nieuws soms geparachuteerd door overijverige persvoorlichters die de reputatie van hun universiteit een opkontje proberen te geven.

Zo was er de ontdekking dat een speciaal soort chocolademelk spectaculair goed zou helpen tegen een hersenschudding. Het werd in roulatie gebracht door een universiteit in Maryland. Het onderzoek was niet gepubliceerd, een controlegroep ontbrak en de onderzoeker had een zak sponsorgeld gekregen van de chocolademelkfabriek, gaf de universiteit later schoorvoetend toe. Nepnieuws derhalve. Dat was in 2016. Maar het verhaal dat „de ontstekingsremmende kwaliteiten van chocolade helpen bij het behandelen van hersenkwetsuren zoals een hersenschudding” zwerft nog steeds rond op het web en daarin schuilt precies het tweede probleem van de sociale media: herhalen doet geloven. Tweet één keer dat hiv uit het laboratorium van een met naam genoemde Duitse farmaceut komt en alleen sneue sukkels geloven het. Repeteer de boodschap twintig keer en geleidelijk aan vormt zich een gemeente van gelovigen.

Stripboek

Het klinkt misschien allemaal hopeloos, maar er valt zeker wat aan te doen. Met onderwijs. Meer speciaal met lessen in kritisch denken. Dat is wat een groep van Oegandese en Noorse wetenschappers liet zien. Ze trainden honderden kinderen tussen de 10 en de 12 jaar in hoe je medisch nepnieuws kunt onderscheiden van serieuze berichten. Tijdens negen bijeenkomsten van anderhalf uur bestudeerden de leerlingen een stripboek. Daarin ging een hoofdstukje bijvoorbeeld over de ontdekking dat het prima helpt als je wonden insmeert met een extract van vogelpoep. Aan de hand van zulke beweringen kregen de kinderen uitgelegd wat een placebo is. En dat anekdotes nooit kunnen ‘bewijzen’ dat een behandeling helpt; en dat je systematisch onderzoek nodig hebt, met een controlegroep; en dat je vooral altijd de vraag moet stellen wie er baat bij hebben dat jij een bewering voor waar aanneemt (cui bono?).

Deze principes vielen prima aan de kinderen uit te leggen en sorteerde bovendien een groot effect. De kinderen die de training hadden ondergaan waren later veel beter in staat om medische lulkoek te ontmaskeren dan kinderen die de training niet hadden gehad. En dan te bedenken dat de training maar een paar dollar per kind kostte. Het is het soort onderzoek waar je hele goede zin van krijgt.

Harald Merckelbach is hoogleraar rechtspsychologie aan de Universiteit Maastricht.