Recensie

Recensie Boeken

De bijna-ondergang van het Byzantijnse imperium door de opkomst van het islamitische rijk

Byzantijnse Rijk De klap in de zevende eeuw was gigantisch: vijftig jaar na de dood van Mohammed veroverden Arabische legers het hele Midden-Oosten.

Veertiende-eeuwse Catalaanse tekening van de Slag bij Yarmouk (636), waarbij de Byzantijnen hun macht over het Midden-Oosten aan het Islamitische kalifaat verloren.
Veertiende-eeuwse Catalaanse tekening van de Slag bij Yarmouk (636), waarbij de Byzantijnen hun macht over het Midden-Oosten aan het Islamitische kalifaat verloren. Illustratie manuscriptminiatures.com

Wáárom maakten al die christelijke bisschoppen de halve oudheid lang ruzie over de persoon van Christus? Die vraag blijft hangen na lezing van het nieuwe boek van wetenschapsjournalist Marcel Hulspas (1960), waarin dat gekrakeel over wil, persoon en substantie van de Godmens Jezus het dominante geluid is. Hulspas beschrijft in Uit de diepten van de hel de bijna-ondergang van het Byzantijnse Rijk door de opkomst van het islamitische rijk en de hele historische aanloop daar naar toe. De klap in de zevende eeuw was gigantisch. Vijftig jaar na de dood van de profeet Mohammed hadden Arabische legers onder islamistische vlag het hele Midden-Oosten veroverd. Het Perzische rijk was weggevaagd, het Byzantijnse geminiaturiseerd.

Het boek vormt een soort wereldhistorische annex van Hulspas’ veelgeprezen boek Mohammed en het ontstaan van de islam(2015). Ook nu weer zijn vooral zijn heldere beschrijvingen van de gang van zaken op het Arabisch schiereiland de moeite waard, zoals de bewegingen die er aan Mohammed voorafgingen en streefden naar een ‘Abrahamische’ godsdienstvernieuwing (de ‘haniefen’), toen al een derde stroming naast jodendom en christendom.

Sluwe machtspolitici

Hulspas geniet duidelijk van de optocht van pilaarheiligen, vechtmonniken, rücksichtslose patriarchen en sluwe machtspolitici die elkaar in het strijdperk van Alexandrië, Jeruzalem, Antiochië en Constantinopel eeuwenlang in de haren vlogen over de vraag hoe toch die ene persoon van Jezus God én mens tegelijk kon zijn. De kernvraag was of tegenover die overweldigende goddelijkheid de menselijkheid van Jezus nog wel kon blijven bestaan, maar in de praktijk werd over de kleinste details gestreden. Kon dat menselijke lichaam van Jezus eigenlijk wel verouderen? Diepe vragen voor vrome christenen, een forse bedreiging voor de eenheid van het rijk en een bron van stille hilariteit voor Hulspas.

Maar waarom werd die twist over Christus’ samenstelling zó agressief uitgevochten? Dat wordt niet duidelijk. Hulspas schrijft nog wel dat we van het geloof van het gewone volk bar weinig afweten, maar dat weerhoudt hem er niet van om onbekommerd te schrijven over volksopstanden en boze burgers als de christelijke strijd weer eens gewelddadig werd. Maar wat was daar echt aan de hand? Bij Hulspas lijkt dat heilige vuur alleen te branden op theologische brandstof. Woedde er niet ook een onderliggende strijd tussen stad en platteland, burgerij en bovenlaag, provincie en centraal gezag, of tussen facties aan het hof?

Teleurstellend

De zorgvuldige analyses van de Arabische ontwikkelingen maken veel goed. Maar per saldo is Uit de diepten van de hel onbevredigend. Ook omdat Hulspas in zijn inleiding veel méér belooft dan de best interessante verhalen die hij daadwerkelijk heeft geschreven. Vrij hoog te paard kondigt hij aan dat hij goed zal maken wat ‘historici’ zouden hebben nagelaten: eindelijk duidelijk maken hoe belangrijk die geloofstwisten waren voor de bijna-ondergang van het Byzantijnse Rijk in de strijd met de Arabieren. Maar die rol is gewoon standaardkennis, zo blijkt uit veelgebruikte middeleeuwse geschiedenishandboeken als Geschiedenis van de Middeleeuwen (1978) van H.P.H. Jansen en A history of the Middle Ages, 284-1500 (1953/1983) van S. Painter en B. Tierney. Daar staat keurig dat de christologische ruzies de slagkracht van het rijk behoorlijk verzwakten. Ook schreven deze historici al dat de talrijke ‘christologische ketters’, zoals monofysieten en nestorianen, blij waren dat ze door de Arabieren veroverd werden, omdat die hen veel beter behandelden dan de Byzantijnse keizers. Dan is het extra teleurstellend dat Hulspas wel al die twisten navertelt, maar het belang van die onmiskenbare bijdrage aan de bijna-ondergang van het Byzantijnse Rijk nergens weegt. De historische kernvraag mijdt hij: zouden de Byzantijnen zonder al die twisten hun rijk wél hebben kunnen verdedigen tegen de aanvallen uit de woestijn? Ook Hulspas beschrijft de puinhoop die het Rijk was na de verwoestende oorlog met de Perzen, vlak voor de aanval van de Arabieren. Die Perzische oorlog valt niet te wijten aan christologisch geruzie. De lezer denkt dan al snel: die ineenstorting van het Byzantijnse leger en het bestuursapparaat is toch veel belangrijker voor de nederlagen tegen de islam? Hulspas doet niets om zijn lezers bij die afweging te helpen.