David van Dam

Interview

Ook slimme vrouwen raken glazen plafond

Interview | Channah Herschberg Al bij de werving worden jonge vrouwelijke wetenschappers lager ingeschat. Daardoor stromen er zo weinig door.

Het is een hardnekkig patroon in de academische wereld: hoe hoger de universitaire functie, hoe lager het percentage vrouwen. Onder promovendi, de eerste wetenschappelijke positie, is de balans nog in orde (van de achtduizend promovendi is ongeveer de helft vrouw), daarna daalt het aandeel vrouwelijke wetenschappers in rap tempo. Met als eindpunt het hoogleraarschap, waar slechts een op de vijf plekken door een vrouw wordt bezet.

Wat gaat er mis? Het promotie-onderzoek van Channah Herschberg (32) begon met die vraag. Want als iedereen vindt dat er te weinig vrouwen doorstromen naar hogere functies aan universiteiten, waarom lukt het dan niet om simpelweg meer vrouwen aan te nemen?

Herschberg ging voor haar onderzoek naar de bron: de werving en selectie van onderzoekers aan de start van hun wetenschappelijke carrière. Ze onderzocht werving- en selectieprocedures voor postdocs (de onderzoeksbaan na een promotie) en universitair docenten. Ze analyseerde vacatureteksten, sprak met leden van sollicitatiecommissies, was aanwezig bij sollicitatiegesprekken en de overleggen van sollicitatiecommissies. De conclusie uit haar proefschrift Through the gate of the neoliberal academy. The (re) production of inequalities in the recruitment and selection of early-career researchers, dat ze dinsdag verdedigt tijdens haar promotie aan de Radboud Universiteit: vrouwelijke wetenschappers worden benadeeld door vooroordelen. Ze worden lager ingeschat en minder gewaardeerd dan hun mannelijke concurrenten. Waar jonge mannelijke wetenschappers het voordeel van de twijfel krijgen, is dat bij vrouwen vaak precies andersom. Herschberg: „Het gaat om subtiele processen, waar de meeste mensen zich niet bewust van zijn. Ik zag het zelf soms ook niet, terwijl het voor mijn neus gebeurde. Pas achteraf, bij analyses van gesprekken, ontdekte ik het patroon. Best schokkend.”

Kun je een voorbeeld geven van zo’n subtiel proces?

„De geloofwaardigheid van vrouwelijke kandidaten werd regelmatig in twijfel getrokken. Er werd door leden van de sollicitatiecommissie bijvoorbeeld letterlijk gezegd: ‘Ik geloof haar niet’. Of: ‘Heeft ze die subsidie wel echt aangevraagd? Zou ze daarover liegen?’ Ik heb niemand op die manier over mannelijke sollicitanten horen spreken.”

Lees ook: De SER pleit voor een vrouwenquotum van 30 procent

Je hebt zes sollicitatieprocedures geanalyseerd: zou het niet gewoon toeval kunnen zijn?

„Het kán toeval zijn, natuurlijk. Maar ik denk dat er meer aan de hand is: er is over het algemeen minder vertrouwen in de capaciteiten van vrouwen. Er is altijd wel iemand in een sollicitatiecommissie die hardop denkt: is zij echt wel goed genoeg? Kan ze de functie aan? Dat zag ik niet alleen in mijn eigen onderzoek, trouwens: het is een bekend fenomeen uit eerder onderzoek: aan vrouwen worden hogere eisen gesteld.”

„Dat heeft voor een deel te maken met wie de meeste invloed hebben in de sollicitatiecommissies. Dat zijn mannen. Er moet tegenwoordig altijd een vrouw in, maar die zijn meestal niet de voorzitter. Ook worden zij, bij gebrek aan ‘eigen’ vrouwen, soms als extern commissielid ingevlogen. In die positie hebben ze minder invloed, omdat ze geen insider zijn. Overigens wil ik een misverstand uit de wereld helpen: het is niet zo dat de ongelijkheid verdwijnt als je meer vrouwen in sollicitatiecommissies zet. Vrouwen hebben net zo goed last van vooroordelen.”

Wat zijn de hardnekkigste vooroordelen die je tegenkwam?

„De assumptie is dat vrouwen minder uren willen werken, minder bestand zijn tegen de competitie en minder internationaal mobiel zijn. De eisen die we tegenwoordig stellen aan jonge wetenschappers zijn krankzinnig hoog: iedereen moet excellent zijn, buitenlandervaring hebben, eigen beurzen binnen harken. Bij de selectie van jonge academici wordt daarnaar gekeken: wie voldoet daaraan, wie overleeft die ratrace? Van vrouwen wordt eerder verwacht dat ze er niet aan voldoen.”

Wordt het ze gevraagd of zijn het onbenoemde aannames?

„Het wordt ze niet gevraagd, er wordt voor ze gedacht. Dat heb ik in mijn onderzoek een aantal keer letterlijk gehoord in de gesprekken ná het sollicitatiegesprek.”

Zit er niet iets in? Nederlandse vrouwen zijn kampioen deeltijdwerken.

„Het deeltijd-imago kleeft inderdaad ook aan vrouwen in de wetenschap. Commissieleden associëren vrouwen met zorg en moederschap en mannen niet of minder. Ze verwachten dat het voor vrouwen moeilijker is om te voldoen aan het beeld van een wetenschapper die toegewijd en competitief is. Dat zet vrouwelijke kandidaten op achterstand, terwijl blijkt dat vrouwelijke wetenschappers niet minder werken dan hun mannelijke collega’s.

„Wat we wel zien is dat vrouwen last hebben van de werkdruk, hoewel dat ook geldt voor mannen. Binnen de wetenschap lijkt er maar één norm: tachtig uur per week werken, veel publiceren, scóren. En dan werken de meeste jonge onderzoekers ook nog eens op tijdelijke contracten, moeten ze vechten voor een vaste plek. Een onzeker, hard bestaan.”

Hebben vrouwen daar meer last van dan mannen?

„Ze hebben vaker dan mannen tijdelijke contracten en blijven langer in de postdocval hangen: van postdoc naar postdoc zonder uitzicht op een vaste aanstelling. Dat kan ertoe leiden dat ze uiteindelijk afvallen en meer mannen de top bereiken. Dit zit zó verankerd in het systeem.”

Dat klinkt vrij hopeloos.

Lachend: „Ja, nogal! Ik werd niet blij van mijn bevindingen. Maar tegelijkertijd is mijn onderzoek juist daarom zo belangrijk: ik laat zien wat er gebeurt. En als je dat weet, dan kan je het veranderen.”

Hoe dan?

„Ik denk dat we kritischer moeten nadenken over de criteria die worden gehanteerd. Vacatureteksten zijn vaak standaard: er wordt nauwelijks over gesproken. Daarnaast moeten de sollicitatiecommissies beter worden samengesteld: wie heeft de macht? Misschien moet je de kandidaten voor een baan als universitair docent eerst laten praten met andere docenten. Dan maken zij de eerste schifting, anders gebeurt toch te vaak dat de sollicitatiecommissie de voorzitter volgt, ook al zijn ze het niet met diegene eens.

Ben je voorstander van een voorkeursbeleid voor vrouwen?

Aarzelend: „Als je als universiteit besluit dat je écht iets wilt doen aan de positie van vrouwen, dan is een voorkeursbeleid een goed idee. Kijk, je kunt wel proberen om impliciete aannames bloot te leggen en te probéren om mensen anders te laten denken, maar daarmee ben je er nog niet. Wil je die vrouwen vervolgens binnenhouden, dan moet er meer gebeuren. Wie nodig je uit op je feestje en wie gaan er dansen? Met andere woorden: wie voelen zich veilig genoeg om te blijven?”