Opinie

Ontheemd

Gastschrijver Leiden Met Karin Amatmoekrim als gastschrijver, die onderwees in life writing, introduceerde de Universiteit Leiden dit jaar een schrijfwedstrijd onder studenten. Semra Altuntas schreef het winnende verhaal.

Foto Matthieu Dalmasse / Creative Commons

Houtrot en schimmel verraadden de tijd die er voorbij was gegaan. Ik herinnerde me als de dag van vandaag hoe mijn broer koppig alle hulp van mijn zwagers weigerde toen hij dit tuinhuisje bouwde. Trots staarde hij naar het resultaat toen het helemaal af was. Een verdiende trots.

Perfectionisme zit bij ons in de familie.

Ik liep door de smalle ingang verder de tuin in en keek rond in de verlaten tuin van mijn moeder. Wat gek, het is voor mij nog altijd de tuin van mijn moeder. Alsof ze elk moment nog aan kan komen fietsen op haar driewieler met 5 liter melk achterop, die ze iedere zaterdagochtend vers van de melkboer verderop kocht. Daar maakte ze yoghurt van en rijstepap. Dat waren de weinige momenten waarop ik mijn moeder zag lachen. Als ze een was met de natuur, het liefst met al haar kinderen en kleinkinderen om haar heen.

De zon scheen fel, het zweet brak me uit. Ik ging maar zitten op de krakende vloer aan de voorkant van het huisje. Een gevoel van leegte overspoelde me.

Mijn ouders hadden in de jaren negentienzestig ervoor gekozen te emigreren naar Nederland. Zo heb ik een jaar geleden ervoor gekozen te emigreren naar Palestina, waar ik wortels noch takken had. Daar was ik onzichtbaar en niemand vroeg mij – op een dubbelzinnige manier – waar ik vandaan kwam. Het maakte niet uit of ik Nederlandse of Turkse was. Maar dat land had grotere problemen dan mij omarmen. Ikzelf had ook grotere problemen dan een simpele identiteitscrisis.

Net zoals mijn vader ben ik besmet met het Fernweh-virus. Hij droeg het verlangen met zich mee om ooit terug te keren naar Turkije, zijn thuis. Een tijdje daar, verlangde hij er alweer naar om terug te gaan naar Nederland, ook zijn thuis. Zo ging dat heel het jaar door. Op oude foto’s was hij alleen maar gelukkig tijdens het reizen. En dat is het mooie aan het Fernweh-virus… Je bent nergens – of overal – thuis.

Ontheemd.

Dat ik in Tel Aviv het land was uitgezet was het grootste probleem nog niet. Ik heb geen thuis en kan me juist daarom overal wel redden. Wel is het probleem dat ik in het vliegtuig was gezet naar het land waar ik volgens hen hoorde te zijn, Turkije. Terwijl ik naar het land wilde waar ik dacht dat ik hoorde te zijn, Nederland.

Verward stond ik op het vliegveld in Istanbul. De stilte in mijn hoofd werd luider. Waar moest ik heen? Waar wilde ik heen?

De geboorteplaats van mijn ouders waar mijn vader ligt begraven? Ik heb gek genoeg nog de sleutels van het huis dat ons is nagelaten door mijn opa. Daar had ik nooit bij stil gestaan. Het was voor mij meer een aandenken dan iets bruikbaars.

Het gekraak van de houten vloer onder mij bracht mij tot de realiteit. De jaren waren voorbijgevlogen, terwijl ik in een zoektocht was naar waar ik hoorde en waar ik wilde zijn. Ik zat vast in een kooi en zocht naar een redding. Later zou ik ontdekken dat ik genoeg had aan mijn eigen vleugels om mijzelf te bevrijden, want deze kooi had geen deur. Het had me een grote reis door Europa en daarna ook Marokko, Egypte, Turkije, Israël, Palestina en Jordanië én vele jaren gekost om uiteindelijk een antwoord te vinden op mijn vragen…

Mijn ontheemdheid wás mijn kracht. Voor iemand zonder huis en haard, is de hele wereld een thuis. Alle mensen zijn je familie en vrienden. Ontheemd. Een eenloper met haar huis op haar rug en de liefde in haar hart. Niet gebonden aan de drang van nabijheid of de angst van eenzaamheid.

Hoewel ik het eerst niet van plan was, besloot ik toch de sleutel van het tuinhuisje te zoeken. Het was nog vroeg en ik wist niet wat ik anders moest doen. Vaag herinnerde ik me dat we de sleutel altijd in de bloempot begroeven. De aarde was uitgedroogd en de plant was dood, maar na een beetje graven zag ik de sleutel glimmen.

Eenmaal binnen werd ik opgevangen door de klamme warmte van herinneringen uit mijn kindertijd. Sinds jaren onaangeraakt speelgoed, stoffig meubilair en mijn vaders werkpak. Een koude rilling ging door me heen.

Hoe kan een simpel kledingstuk de jaren hebben overleefd die mij mijn vader hebben ontnomen? Was een mens dan vergankelijker dan een stuk stof?

Ik deed mijn vaders werkpak aan, zocht naar wat gereedschap en ging op blote voeten mijn moeders tuin in. De tranen rolden over mijn wangen, maar ik wist dat dit geen tranen meer uit wanhoop waren. Ik heb lang gezocht en veel geleden, maar nu ben ik verlost. Het deed er niet meer toe. Hier was ik veilig. Ik sprak hier geen taal en hoefde niemand iets uit te leggen.

Terwijl ik druk bezig was in mijn moeders tuin werden mijn gedachten onderbroken door de stem van de buurvrouw. Zij was verrast door mijn aanwezigheid en verwelkomde mij hartelijk: “Merhaba, hos geldin!

Hos bulduk teyze!” antwoordde ik met een glimlach.

Ze maakte een gebaar met haar hand dat bij Turkse mensen ‘kom dichterbij’ betekent. In Nederland was dit gebaar beledigend, maar ik wist dat zij het goed bedoelde. Ik kwam dichter bij haar staan. Ik zag dat haar man bezig was om wat takken op elkaar te stapelen en een vuurtje te maken. De Turkse theekan naast de takken trok meteen mijn aandacht. Ik zou geen nee zeggen tegen Turkse thee door de vermoeidheid van de afgelopen dagen, nee, van de afgelopen jaren.

Zij nodigde mij inderdaad uit voor thee. Dankbaar schoof ik aan. Een korte rondleiding door haar tuin vervolgde ze met een voorstelronde aan haar man en kinderen die er later bij zijn gekomen. Na zo’n uurtje zaten we eindelijk in een kring rondom een geruit kleed op de grond, ver van het vuur onder de schaduw van een vijgenboom.

Toen kwam eindelijk de vraag: “Anlat bakalim kizim, nerelisin?

Kom vertel, meisje van me, waar kom je vandaan?