Minister mag geldkraan Haga Lyceum niet helemaal dichtdraaien

Islamitisch onderwijs Minister Slob wilde de financiering van het Haga Lyceum in Amsterdam stopzetten, maar hield zich volgens de Raad van State niet aan zijn eigen regels.

Leerlingen en schoolleiding van het Haga Lyceum komen aan bij het gerechtshof tijdens een eerdere rechtszaak.
Leerlingen en schoolleiding van het Haga Lyceum komen aan bij het gerechtshof tijdens een eerdere rechtszaak. Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

Onderwijsminister Arie Slob (ChristenUnie) mag de rijksfinanciering van het Cornelius Haga Lyceum niet per 1 december volledig stopzetten. Dat heeft de Raad van State vrijdag geoordeeld. De minister heeft zich bij zijn bekostigingsbesluit volgens de voorzieningenrechter „niet gehouden aan zijn eigen beleidsregels”. En dat zonder te beargumenteren waarom die voor het Haga niet zouden gelden.

Volgens Slobs regels moet de bekostiging van een slecht presterend schoolbestuur stapsgewijs worden teruggebracht. De financiering wordt dan eerst met 15 procent en vervolgens met 30 procent gekort. Pas als het bestuur na negen maanden nog niet aan de wettelijke voorschriften voldoet, mag de minister de geldkraan helemaal dichtdraaien. Omdat Slob deze weg onrechtmatig heeft afgesneden, schort de Raad zijn besluit op.

Gevraagd om een reactie zegt de minister de geëigende stappen niet te hebben gevolgd omdat die „bedoeld zijn voor minder ernstige gevallen” dan het Haga. Hij houdt „onverminderd grote zorgen” over de school, maar wacht nu met vervolgstappen tot de rechtbank Amsterdam zich op 9 december buigt over de zogeheten ‘aanwijzing’ waarop Slob zijn bekostigingsbesluit baseerde.

De minister droeg de school in september op een interimleiding aan te stellen omdat het huidige bestuur zich volgens de Onderwijsinspectie schuldig heeft gemaakt aan onder meer financieel wanbeheer. Dat Slob wacht tot een vonnis over deze aanwijzing, betekent dat hij het budget van de school vooralsnog ook niet kort met 15 procent. Zo’n klein percentage zou geen effect hebben op dit bestuur, aldus de minister.

Lees ook dit artikel over het besluit van minister Slob om de rijksfinanciering van het Haga stop te zetten

Tijd gewonnen

Hoewel opvallend, is deze voorlopige voorziening zeker geen definitieve beslechting van de strijd tussen het Haga en de overheid, die volgens directeur Soner Atasoy een „hetze” voert tegen zijn islamitische middelbare school. Met het vonnis wint het Haga tijd om verder te procederen tegen de staat of om een nieuwe leiding aan te stellen. De school haalde de door Slob gestelde deadline voor een bestuurswissel vorige maand naar eigen zeggen niet omdat ze een niet-islamitische bestuurder wilde benoemen. Voordat deze interimmer ingeschreven kon worden, moesten de statuten van de islamitische school aangepast worden, aldus Atasoy.

Voor die statutenwijziging heeft het Haga nu in principe de tijd, maar de schooldirecteur zegt vooral in te willen zetten op de nog lopende rechtszaken. Naast de aanwijzing bevecht Atasoy ook het kritische rapport van de Inspectie, die in juli concludeerde dat op het Haga niet alleen sprake is van wanbeheer, maar ook van ontoereikend burgerschapsonderwijs. De aanwijzing van Slob is grotendeels gebaseerd op dat rapport, waarover het Gerechtshof in Den Haag op 24 december zijn oordeel geeft.

Extra leerlingen, extra geld

Atasoy noemt het vrijdag gewezen vonnis van de Raad van State „stevig”, maar zegt er tegelijkertijd van te balen dat de rechter hem op een ander punt ongelijk heeft gegeven. Het Haga diende in augustus een aanvraag in voor extra financiering omdat de school flink gegroeid is ten opzichte van vorig jaar; een gebruikelijke procedure in het onderwijs. Minister Slob heeft deze aanvraag echter gekoppeld aan zijn bekostigingsbesluit, zo bleek vorige week tijdens de zitting bij de Raad van State.

Zijn sanctie, zo redeneerde Slob, wordt minder doeltreffend als hij tegelijkertijd wel extra financiering moet verstrekken aan het Haga omdat het leerlingenaantal is gegroeid. Volgens Atasoy moeten het bekostigingsbesluit en zijn aanvraag voor extra geld voor de eerste maanden van het schooljaar echter los van elkaar worden gezien. De rechter oordeelde dat Atasoys bezwaar niet-onvankelijk is omdat de minister wettelijk gezien nog tijd heeft om te reageren op de aanvraag.