Reportage

De noordelijke witte neushoorn: uitgestorven… of toch niet?

De noordelijke witte neushoorn is zo goed als uitgestorven. Of is de soort nog te redden? Op bezoek in het laboratorium in Italië.

De toekomst van de noordelijke witte neushoorn ligt opgeslagen in een metalen tank met vloeibaar stikstof. Buiten is het 20 graden, en zo helder dat aan de horizon de versbesneeuwde Alpen zijn te zien. Maar in de tank, niet veel groter dan een melkbus, is het donker en bijna 200 graden onder nul.

„Hierin bewaren we de embryo’s.” Fertiliteitsdeskundige Cesare Galli zegt het achteloos, met een hoofdknikje richting tank, tijdens een rondleiding door Avantea – het biotechnologisch laboratorium dat hij in 2008 begon, net buiten Cremona, ten zuidoosten van Milaan. Alsof hij niet weet dat twee van die embryo’s een paar maanden geleden wereldnieuws waren.

In Afrika leven twee soorten neushoorns, de zwarte neushoorn en de witte neushoorn. Van die laatste zijn er twee ondersoorten: de zuidelijke en de noordelijke. De noordelijke ondersoort had zijn leefgebied in Centraal-Afrika, maar is door stroperij in het wild geheel verdwenen. Begin deze eeuw leefden er alleen nog exemplaren in dierentuinen. Het uitsterven leek een kwestie van tijd.

Maar afgelopen september kwam het bericht naar buiten dat het Galli en zijn team gelukt was om twee eicellen van noordelijke witte neushoornvrouwtjes te bevruchten, met ingevroren sperma van overleden noordelijke witte neushoornmannetjes.

Het laatste mannetje, Sudan, overleed op 19 maart 2018 op 45-jarige leeftijd in natuurreservaat Ol Pejeta in Kenia. In 1975 was hij als 2-jarige gevangen in het wild, en naar een dierentuin in het Tsjechische Dvur Králové gebracht. Daar werden ook zijn dochter Najin en zijn kleindochter Fatu geboren – de enige twee nu nog levende noordelijke witte neushoorns. In 2009 werden de drie samen met drie soortgenoten naar Ol Pejata getransporteerd. Een laatste poging tot het opzetten van een fokprogramma mislukte: er kwam geen nageslacht. Dat was het moment dat Thomas Hildebrandt, een Duitse dierenarts die zich al jaren inspant om de noordelijke witte neushoorn te redden, de hulp van Galli inriep.

Gouden medaille

Een diersoort redden van de ondergang: het is een nobel streven. Met het vervaardigen van embryo’s gaat de natuurbescherming een heel nieuwe kant uit. Is dat hoopvol? Of is het hoogmoed om te denken dat we op die manier soorten kunnen behouden?

Daags na het nieuws over de twee embryo’s zag ik Galli voor het eerst, in de documentaire The Last Male on Earth. Gekleed in een witte labjas zat hij voorovergebogen over een microscoop, als schepper van nieuw leven – twee druppels water met de beeltenis van de paus, die naast hem hing. „De ambitie is om de eerste te zijn. Om te zien wat nog nooit iemand heeft gezien”, zei Galli toen.

Lees ook Een uitstervende neushoorn achter de oren krabbelen

Nu, in zijn kantoor, vult hij aan: „Natuurlijk wil je iets doen dat maatschappelijk nut heeft. Maar ik vergelijk het vooral met een sportwedstrijd – het gaat om het winnen van die gouden medaille. Die beloning, die wetenschappelijke doorbraak, dat is mijn motivatie.”

Een bezoek aan Avantea voelt als een kijkje in de dierentuin van de toekomst, een eenentwintigste-eeuwse Ark van Noach. In de tank met vloeibaar stikstof liggen niet alleen de twee embryo’s van de noordelijke witte neushoorn, maar ook die van de zuidelijke witte neushoorn (waarvan er in het wild nog zo’n 10.000 leven) en van een hybride variant (waarvoor eicellen van de zuidelijke ondersoort zijn bevrucht met sperma van de noordelijke).

In de tanks náást die van de neushoornembryo’s ligt sperma opgeslagen van hengsten, en celmateriaal van varkens. „Paarden en varkens, dat zijn onze hoofdwerkzaamheden”, zegt Galli. „Het hengstenzaad gebruiken we voor ICSI-behandelingen bij merries – een soort ivf-procedure, met het verschil dat in elke eicel één zaadcel wordt geïnjecteerd. De varkens klonen we, voor biomedisch onderzoek.”

Buiten, in een van de stallen, staat Prometea: het eerste gekloonde paard ter wereld – vernoemd naar Prometheus, die vuur stal van de Griekse goden. „Geef haar maar wat gras”, gebaart Galli naar het vergeelde gazon. Zelf plukt hij ook een paar sprietjes. „In 2003, in de nacht dat ze geboren werd, viel ik bijna flauw. Het was zó emotioneel. Eenzelfde soort emotie ervoer ik toen het ons in 2017 voor het eerst lukte om een neushoornembryo te ontwikkelen met ivf. Dat was toen nog met genetisch materiaal van de zuidelijke witte neushoorn, als oefenmateriaal, maar voor mij was dat de échte doorbraak. Toen wisten we dat we de techniek beheersten: het oogsten van de eicellen, het bevruchten ervan met ingevroren sperma… Dat we nu ook embryo’s van een noordelijke witte neushoorn hebben, is voor ons vooral een bevestiging van ons kunnen.” Hij laat de screensaver van zijn smartphone zien: een neushoornembryo met daarin een fotootje van een volwassen neushoorn gephotoshopt. „Dit herinnert me aan dat eerste, glorieuze moment.”

Twee meter lange lans

De aanloop naar de ivf-procedure was ingewikkeld, vertelt Thomas Hildebrandt via Skype. Hij werkt op het Leibniz-Institut für Zoo- und Wildtierforschung in Berlijn. „We moesten bij de vrouwtjes met een bijna twee meter lange lans via de anus naar binnen om de eicellen te oogsten. Vlak naast de eileider zit een slagader, zo dik als een mensenarm – die wil je niet raken. Afgelopen augustus hebben we de vrouwtjes onder verdoving gebracht en toen is het ons gelukt om tien eitjes te oogsten.”

Per koerier verzond Hildebrandt die in piepschuimen boxen naar Avantea. Vervolgens was het ook nog de vraag of het ingevroren sperma van voldoende kwaliteit was, vertelt hij. „We hadden in totaal zo’n 300 milliliter, afkomstig van vier mannetjes – Angalifu, Sudan, Suni en Saut. Alleen van die laatste twee bleek het sperma in goede staat te zijn.”

De embryo’s zijn er nu, maar om ermee tot een neushoornzwangerschap te komen is nog niet zo makkelijk. „Het liefst hadden we de twee embryo’s weer in de baarmoeders van Najin en Fatu geplaatst, maar dat gaat niet”, aldus Hildebrandt. „De baarmoeder van Najin zit vol vleesbomen. En Fatu heeft geen baarmoederslijmvlies, dus er kan ook geen innesteling plaatsvinden.”

Daarom moet er gezocht worden naar een draagmoeder. Een zuidelijke witte neushoorn lijkt de meest geschikte kandidaat. „Maar in theorie zou je ook een paard kunnen gebruiken”, zegt Galli. „De bevruchte eicel ontwikkelt zich tot een zogeheten blastocyst. Als je de inhoud van zo’n neushoornblastocyst plaatst in het omhulsel van een paardenblastocyst, dan kan de merrie in principe een neushoornbaby baren – qua grootte is het geen probleem, en bij de geboorte ontbreekt de puntige hoorn nog. De vraag is alleen of je het ethisch gezien moet willen. En mogelijk is het verschil in draagtijd ook een probleem: een merrie is 11 maanden zwanger, een neushoornvrouwtje 16 maanden.”

Over pakweg drie jaar zal de eerste noordelijke witte neushoornbaby ter wereld komen, verwacht Hildebrandt. „Gebaard door een zuidelijke witte neushoorn.”

Huidcellen van volwassen dieren

Natuurlijk zijn twee embryo’s niet voldoende om de soort te redden, benadrukt Galli. „Het is niet zo dat ons werk natuurbescherming overbodig maakt. Sowieso zijn we eigenlijk tien jaar te laat met deze methode, want inmiddels is het redden van de noordelijke witte neushoorn een vrijwel verloren zaak. Het is dat we nog een alternatieve methode hebben om de genetische diversiteit wat op te krikken…”

Galli doelt op induced pluripotent stem cells: stamcellen, gemaakt van bijvoorbeeld huidcellen van volwassen dieren, die kunnen worden omgevormd tot geslachtscellen. „We hebben nog van elf noordelijke witte neushoorns huid bewaard en op de langere termijn hopen we daar geslachtscellen mee te maken. Op die manier kunnen we voor een behoorlijke genetische diversiteit zorgen.”

Sterker nog: de genetische diversiteit van de noordelijke witte neushoorn is zelfs groter dan die van de zuidelijke witte neushoorn, die óók ooit door het oog van de naald is gekropen – daarvan waren er in de negentiende eeuw nog maar enkele tientallen exemplaren. De huidige populatie van ruim 10.000 dieren is daaruit teruggefokt.

„Het terugfokken van zo’n omvangrijke, stabiele populatie is op dit moment nog onbereikbaar voor ons”, zegt Hildebrandt. „Tot nu toe ging alles bijzonder vlot – het verzamelen van de eicellen, het bevruchten ervan… Alsof de noordelijke witte neushoorn gered wíl worden. Maar we zijn er nog niet. Daarom is vloeibaar stikstof onze vriend: daarin is het genetisch materiaal nog tientallen jaren houdbaar. Dat biedt perspectief voor de toekomst.”

Samen naar de opera

Hildebrandt en Galli leerden elkaar kennen toen ze samen aan een project met Sumatraanse neushoorns werkten. Inmiddels zijn ze een hecht team – volgende week gaan ze samen naar de opera.

Hildebrandt wist al op zijn zesde dat hij dierenarts wilde worden. „Maar ik groeide op in Oost-Duitsland en raakte in conflict met de communistische partij – daardoor mocht ik vijf jaar lang niet naar de universiteit. In de tussentijd werkte ik op een boerderij, en deed autopsie op dode dieren. Ik leerde zoveel bij dat ik, eenmaal op de universiteit, de beste student werd. Die vastberadenheid heb ik daaraan te danken: als je er maar hard genoeg voor vecht, is alles mogelijk.”

Ook Galli was al op jonge leeftijd geïnteresseerd in dieren. „Mijn ouders hadden een boerderij, met koeien, schapen, geiten, konijnen… Ik vond de voortplanting van die dieren enorm fascinerend.” Zelf heeft hij drie kinderen, en vier katten. „Al had ik één kat ook wel genoeg gevonden.”

Met neushoorns heeft hij geen speciale band. „Onder een microscoop zijn alle eicellen hetzelfde, of je nu naar die van een muis of van een neushoorn kijkt. Maar als ik één lievelingsdier moet kiezen… Dan ligt mijn hart toch bij koeien.”

„We doen dit niet uit dierenliefde”, benadrukt Hildebrandt. „Zó leuk zijn witte neushoorns nou ook weer niet. Ze zijn vrij dom, denken dat ze alle problemen kunnen oplossen met brute kracht, en vergeten dat ze niet bulletproof zijn. Maar ze spelen wel een belangrijke rol in het ecosysteem doordat ze het gras kort houden.”

„Mensen zijn soms tegen nieuwe technieken omdat ze het tegennatuurlijk vinden”, zegt Galli, met een blik op het kruis dat boven de ingang van zijn lab hangt. „Maar het uitsterven van de witte neushoorn is op zichzelf al tegennatuurlijk. Dus het is aan ons om die fout recht te zetten.”

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie NRC Onbehaarde Apen: Kunnen we in het lab de neushoorn redden?

U kunt zich ook abonneren via Apple Podcasts, Stitcher, Spotify, Castbox of RSS.