Een geleerde op onbekende zee

In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden. Hoogleraar Willem Pieter Gerritsen (1935-2019) benadrukte ‘onze collectieve onwetendheid’ over de Middeleeuwen.

Wim Gerritsen in 2011 bij de opening van zijn tentoonstelling over de eenhoorn.
Wim Gerritsen in 2011 bij de opening van zijn tentoonstelling over de eenhoorn. Foto Marcel van den Bergh/de Volkskrant

De abt van Grimbergen bezorgt wijn, brood en paardenvoer van zijn klooster bij de graaf van Vianen. Later schrijft de graaf terug dat hij de zending niet beschouwt als iets waarop hij recht heeft, maar als „gunst ende hovescheit” (hoofsheid). Het is 1299.

„Wie enig gevoel voor middeleeuwse verhoudingen heeft, begrijpt dat een dergelijke oorkonde niet spontaan is uitgevaardigd”, schreef Wim Gerritsen hierover in een artikel, maar hij had het ook zo kunnen vertellen tijdens een van zijn colleges of werkgroepen, waaruit je met meer energie vertrok dan je eraan begon. De abt heeft zich blijkbaar zorgen gemaakt. „‘Met grote heren is het kwaad kersen eten’, kan hij hebben gedacht; ‘als ik niet oppas loopt het nog uit op een soort belasting’. Daarom heeft hij op een geschikt moment gewacht om de graaf een verklaring te laten tekenen.”

Werkgroep met studenten Middelnederlands in 1965, met W.P. Gerritsen (geheel rechts) Foto A.M.J. Bakkum

Gerritsen, die vorige maand op 84-jarige leeftijd plotseling is overleden, liet de liefde voor de Middelnederlandse letterkunde vonksgewijs op zijn Utrechtse studenten overslaan. Hier liet hij zien dat hoofsheid, een middeleeuws sleutelbegrip, meer was dan een galante riddercode, maar ook iets voor alledaagser gebruik, een vrijwillig maar essentieel gebaar van wellevendheid om frictie te vermijden – noem het etiquette.

In heldere taal en levensechte beelden ontsloot hij het fascinerende landschap, „vreemd maar toch herkenbaar”, achter „de dijk” die volgens hem het zicht op de Middeleeuwen zo lang had belemmerd. Eerst door het dedain van de humanisten uit de vijftiende en zestiende eeuw voor wat ze als een barbaarse periode zagen, later door de romantische projecties van de negentiende eeuw en door een aantal van zijn geleerde voorgangers (‘zelfkazers’). Hun idee dat teksten min of meer logisch en chronologisch uit elkaar ontstaan leken, verbloemde volgens Gerritsen onze „collectieve onwetendheid” over de Middeleeuwen. De mediëvist heeft slechts losse fragmenten, hele en halve handschriften, vaak kopieën van eerdere, verdwenen teksten – „wrakstukken die na een storm zijn aangespoeld”, waarmee hij zich „een voorstelling moet maken van de vloot voor de storm opstak”.

Snippers manuscript

Dat hij daarin slaagde, bewees zijn proefschrift uit 1963 over Die Wrake van Ragisel, een bewerking die via een eerdere, op enkele snippers na verdwenen Middelnederlandse tekst, teruggaat op een Oudfranse tekst over Walewein, een van de ridders van koning Arthur. Door de taal en techniek van zijn bronnen heel precies te vergelijken liet Gerritsen zien hoe Middelnederlandse auteurs hun tekst hadden vertaald en bewerkt om hun versie spannender te maken dan het origineel.

Onder Gerritsens leiding – hij werd hoogleraar op zijn 33-ste (en na zijn Utrechtse emeritaat nog eens in Leiden) – verschijnen sindsdien ook andere romans en ‘losse’ Lancelot-verhalen in wetenschappelijke edities.

In zijn eerste jaar in Utrecht, 1953, moet Gerritsen zich gevoeld hebben als een ekster bij de juwelier. Behalve bij Nederlands schoof hij aan bij Grieks, Sanskrit, Frans en vulgaat-Latijn. En bij Maartje Draak, die oud-Iers gaf voor twee of drie studenten, en die hem in aanraking bracht met Lancelot. En met Brandaan, de Ierse heilige die met zijn beroemde zeereis boete moest doen voor zijn eerdere ongeloof in Gods wonderen, een verhaal dat ook in het Middelnederlands is overgeleverd. Het was, zei Gerritsen later, een Sternstunde. „Ik was voorgoed verkocht” aan dat onbekende gebied met zijn „ongekende rijkdom”.

Lees ook: Laten we méér praten aan de universiteit

De reis van Brandaan

Gerritsen liet zien hoe de Middelnederlandse literatuur in een Europese traditie paste die terugreikte tot de oudheid. En dat de studie ervan nooit het werk van één mens kon zijn. Hij „verbond niet enkel Middeleeuwen, maar ook mediëvisten en daarmee heeft hij het vak tot een waarachtig vakgebied gemaakt”, zei Frits van Oostrom, zijn leerling en mede-hoogleraar, bij zijn uitvaart.

Veel werk ontstond in werkgroepen. Gerritsen belegde bijeenkomsten waar zijn promovendi – het zouden er meer dan dertig worden – hun lotgevallen konden uitwisselen, en die hij Foire du Lendit noemde, naar een jaarmarkt in de Middeleeuwen. Een van de mooiste projecten was een tentoonstelling-met-boek over Brandaan met een hedendaagse vertaling door Willem Wilmink, die een kien oog (en oor) had voor de ironie in de Ierse tekst. Gerritsen was zelf ook een beetje een zeevaarder. Als tiener bouwde hij zijn eerste zeilbootje zelf, en een later, zeewaardiger schip doopte hij Brandaan. De wereld van de zee, met zijn eigen taal en zijn eigen grillige wetten, schreef hij, heeft „kenmerken van de ‘autre monde’ van de middeleeuwse ridderromans”.

Lees ook: ‘Miss Draak’ was de keltologie zelve

In een terugblik op zijn studies van het begrip ‘hoofsheid’ herinnerde hij zich de „flits” waarmee allerlei twaalfde-eeuwse cultuurverschijnselen op hun plaats waren gevallen die allemaal met het ontwakende ‘ik’ van het humanisme te maken hadden. Tegelijkertijd werd hij door „een diepe moedeloosheid” bevangen, zei hij: „mijn kennis blijkt uit louter lacunes te bestaan”. Geen valse bescheidenheid, maar woorden van een waar geleerde. Zijn laatste boek was de biografie van Maartje Draak, zijn promotor en „wijze vriendin”, die hem ooit op zijn queeste door de Middeleeuwen had gestuurd.