Recensie

Recensie Boeken

Hoe je verandert na het krijgen van een kind

Koen Sels Dramatische verhalen over jonge kinderen zijn er legio, maar Koen Sels vult een lacune. Hij zoekt taal bij de draai die de hedendaagse geest maakt vlak voor en na de geboorte van een kind.

Opvallend genoeg zijn de kinderen meestal ziek in de recente tot redelijk recente, Nederlandstalige vader-kind-romans. In de gevallen van Julien Ignacio (Kus), Peter Terrin (Post Mortem), Mark Boog (Het lot valt altijd op Jona) en Ronald Giphart (IJsland) troffen we de vaders aan in het ziekenhuis, nagelbijtend bij hun kwakkelende kroost. Dramatisch gezien is dat natuurlijk een prachtige uitgangspositie, maar op de roman over alleen de aanstaande komst en geboorte van een kind was het wachten. Terwijl dat nogal wat behelst. Hoor je immers niet zo vaak dat je leven na het krijgen van een kind ‘volledig verandert’? Maar hoe dan? En hoe ervaar je dat?

Wie weet is dat de vonk geweest voor Koen Sels (1982), die met Generator (2015) een gevierd debuut schreef en nu met Gloria een imposante poging heeft gedaan om die draai te vangen die de geest maakt, vlak voor en na een geboorte. Dat de verteller in dit ‘persoonlijk relaas in fragmenten’ een man is, doet er niet zoveel toe. Belangrijker is dat we hier te maken hebben met de gebutste, hoog-analytische en overbewuste geest van een dertiger in een 21ste-eeuws, stedelijk landschap. Gloria vraagt het nodige van je, maar kan bij veel van Sels leeftijdsgenoten een snaar raken. En ook bij degenen die geen kind hebben of die de broze babyfase allang achter zich hebben.

Roezig individualisme

Dit is een tekst met een delvende kracht, waarin iemand probeert om zijn bedrukte blik te verenigen met zijn nieuwe opdracht. Sels zoekt een nieuwe taal, maar hij zoekt ook naar een gemeenschap. Was ‘de tijd’ voorheen nog te behappen in een roezig individualisme (er wordt volop verwezen naar drank en sigaretten), nu kan dat niet meer. Waar ‘ik’ bij hoor was niet zo relevant, waar ‘wij’ bij horen des te meer. ‘Papa, mama en Gloria zaten die dag samen met een bevriend koppel met een tweeling aan de zandbak in de speeltuin in het Te Boelaerpark. […] Er heerste levensgroot ongemak onder de grote mensen. Ze waren op contact aangewezen, hun glimlach was weerloos. De kinderen, gezanten van hun volwassenen, genereerden blikken en gesprekken die anders nooit hadden plaatsgevonden.’

Sels graaft zich in zijn thema in als een mol in de aarde en serveert het allerbeste, meest verdiepte proza aan het eind van zijn boek uit. Zo nu en dan transformeert de tekst van notulerend in een soort ritmische lyriek - niet zozeer om de dochter liefkozend te bezingen, maar om de wereld waarin ze terechtkomt en wie haar daarin zal begeleiden te benoemen. Sels schminkt zichzelf af: hij beziet het leven nog steeds als verre van hoopvol, maar hij moet het nu recht in het gezicht aankijken, nu de vluchtwegen zijn gebarricadeerd en alles stoffelijk, aardser is geworden. Alles is nu angst (er is nu zelfs de vrees dat zijn dochter door de boven hen vliegende buizerds mee zal worden genomen), maar hij zingt zich er met de moed der wanhoop bovenuit. Iemand die zich zo fier en onsentimenteel staande houdt bij een in aanleg zo zoetig thema is een schrijver van formaat.