Opinie

Tijd van excuses en uitstel bij malaise met toeslagen nu voorbij

Toeslagen

Commentaar

Institutionele vooringenomenheid. Met die snoeiharde kwalificatie schetste oud-minister Piet Hein Donner vorige week de blinde ambitie van medewerkers van de Belastingdienst om fraude op te sporen. Het mag inmiddels genoegzaam bekend zijn dat de opstelling van de dienst honderden, zo niet duizenden burgers zowel financieel als emotioneel aan de rand van de afgrond heeft gebracht.

De huidige malaise met de toeslagen is een erfenis van het verleden. Het begon in 2006 met de wens om mensen die onvoldoende wisten te profiteren van allerlei belastingkortingen toch financieel te ondersteunen. Met makkelijk verkrijgbare toeslagen die pas achteraf verantwoord moesten worden. Nu is het uitgegroeid tot een fiscaal veelkoppig monster.

In totaal worden jaarlijks 7,5 miljoen toeslagen rondgepompt aan vijf miljoen huishoudens. Daar is 12,8 miljard euro mee gemoeid. Over toeslagjaar 2016 leidde dat bij de definitieve vaststelling tot het onvoorstelbare aantal van 2,3 miljoen terugvorderingen (samen voor ongeveer 1 miljard euro), waarvan in 300.000 gevallen tot dwanginvorderingen (beslaglegging op huizen, auto’s). In nog eens 1,5 miljoen gevallen bleek de toeslag te laag en leidde dat tot 500 miljoen aan nabetalingen.

Conclusie: in meer dan de helft van de gevallen was de toeslag niet wat die uiteindelijk had moeten zijn. Een onaanvaardbare foutmarge.

Staatssecretaris Menno Snel deelt die mening inmiddels ook en ging eind vorige week diep door het stof. Excuses, gevalletje tunnelvisie bij de dienst. We zijn te ver doorgeschoten in fraudebestrijding na de roemruchte Bulgarenfraude van 2014 en daarbij de menselijke maat uit het oog verloren, verklaarde hij. Volgde nog een financiële compensatie voor de eerste 300 gevallen en de belofte om nog voor het eind van dit jaar naar nog 9.000 andere gevallen te kijken die mogelijk ook recht hebben op compensatie.

Hoe ruimhartig dit ook moge klinken na jaren van ambtelijke obstructie, het is onvoldoende. Het probleem zit namelijk niet alleen bij de schrijnende gevallen, het zit diep in de systematiek van de toeslagen zelf. Die zal anders moeten en zelfs dat is geen nieuw inzicht.

Hier wreekt zich ongetwijfeld ook de angst om de Belastingdienst opnieuw met een grootscheepse reorganisatie op te zadelen. De dienst bezwijkt al jaren onder zowel zijn eigen gewicht als onder een jaarlijkse baaierd aan nieuwe fiscale wetgeving, veelal voorgesteld door een Tweede Kamer die graag tot op de millimeter de eigen achterban bedient met fiscale douceurtjes.

Die angst moet snel opzijgezet worden. Net als het eindeloos verzamelen van adviezen over hoe het stelsel werkt en zou moeten werken. Die leveren slechts een herbevestiging van het groteske wanbeleid op.

De burger is op een vreselijke manier de dupe geworden van politieke en ambtelijke onkunde. Zelfs Snel ziet dat inmiddels in. Vrijdag zei hij te hopen dat de toeslagen over tien jaar niet meer zullen bestaan.

Daarvoor is het allereerst noodzakelijk dat Snel stopt met het doorschuiven van dit heikele dossier naar de toekomst en nu de verantwoordelijkheid neemt. Hij moet op korte termijn met suggesties komen voor een nieuwe manier van inkomensondersteuning voor de onderkant van de samenleving.

Snel zal niet in staat zijn dit probleem alleen op te lossen. Fiscaliteit is, hoe technisch ingewikkeld ook, vooral een zaak van politieke ideologie. Er liggen grote en electoraal gevoelige keuzes op tafel over hoe de maatschappij ingericht moet worden. Die keuzes dienen nu gemaakt te worden. Daar hebben de maatschappij én de medewerkers van de Belastingdienst recht op.