Opinie

Ineens voel ik me weer dat 6-jarige verdwaalde jongetje in de Bijenkorf

Michel Krielaars

Over Godfried Bomans bestaan vele meningen. De een vindt hem een kwal, de ander geniet nog altijd na van zijn humor waarmee hij de draak steekt met de kleinburgerlijke wereld van de Verzuiling. Toen hij in 1971 op 58-jarige leeftijd plotseling overleed – hij werd even oud als de door hem bewonderde Charles Dickens – was hij de geliefdste en meest gelezen schrijver van Nederland. Dat kwam ook door zijn televisieoptredens in spelletjesprogramma’s als Hou je aan je woord en de Edison-uitreiking van 1963, waarin hij tegen Marlene Dietrich, een van de winnaars, opmerkte: „Had mijn vrouw maar één zo’n been.”

In de Gedundrukt-serie van Van Oorschot is een bloemlezing van zijn werk verschenen, die Bomans in al zijn gedaantes laat zien. Ik had er zo mijn twijfels over, ook omdat de wereld van Bomans eeuwen geleden lijkt te zijn en zijn oubollige humor gedateerd. Maar aangezien ik me dezer dagen soms een jongetje van zes voel, dat in de Bijenkorf zijn moeder is kwijtgeraakt en wiens naam maar niet omgeroepen wordt, dwaal ik regelmatig door mijn herinneringen aan mijn kindertijd in de jaren zestig en zie ik mijn moeder schaterlachen om Bomans’ Kopstukken en Pa Pinkelman. Melig? Ja! Oubollig? Ja! Maar verouderd? Nee, niet echt, omdat Bomans een vlijmscherp gevoel had voor de Nederlandse volksaard, die weinig veranderd is. Zo heb ik genoten van zijn De waarheid omtrent Sinterklaas, waarin Bomans de ‘makelaar in speelgoederen’ interviewt in zijn huis op het 5-Decemberplein in Madrid-Oost, ook omdat nooit iemand dat doet.

Bij binnenkomst ziet de interviewer ‘een gewone man, wel erg oud, maar zonder baard en zonder lange haren. Geen staf, geen mijter, niets.’ In plaats van een mijter draagt de Sint een bolhoed en rookt hij een chocoladesigaar.

Levendig vertelt de Sint over de achterpoot van een suikeren schaap (‘Mooi dun geblazen’, zegt de Sint, ‘dat deed ik drie eeuwen geleden nog niet zo. Maar je leert elk jaar bij.’) en over het moeilijke proces van het maken van marsepeinen worsten en suikeren pispotjes met een drolletje erin (‘De mensen willen ze niet meer. Maar ik vond ze leuk.’).

Als Bomans door de afwezigheid van die baard aan het bestaan van de Sint begint te twijfelen, zegt deze: ‘„Ik besta”, zei hij „en ik zal blijven bestaan, zolang Holland bestaat. Die baard mag vals zijn, maar Sinterklaas is echt.”’ Meteen werd ik weer de gelovige, die ik als verloren zesjarige in de Bijenkorf was.

Meesterlijk en tijdloos is ook het verhaal ‘De honderdjarige’, waarin Bomans een jubilaris bezoekt. Aan het oude mannetje dat de voordeur opent, vraagt hij of vader thuis is. Het oude mannetje laat hem een kamertje binnen, waar een nog ouder mannetje zit. Bomans feliciteert hem, waarop het mannetje zegt dat zijn jarige vader boven is. Daar hangt de jarige in de touwen, terwijl hij een vogelnestje maakt. Als Bomans hem vraagt hoe hij zo oud is geworden, antwoordt het mannetje: ‘Neen, ik doe er niets voor, het gaat vanzelf. Dat is het leuke van dit soort werk.’

De honderdjarige ziet het oud worden als een sportwedstrijd. Nauwlettend houdt hij de stand in het oudemannenhuis in de gaten: ‘Het aardige aan ons vak is, dat, als je eenmaal voorligt, je niet meer bent in te halen, al doet de andere nog zo zijn best.’ Op zo’n moment meen je even in een aflevering van Jiskefet of Koot en Bie te zijn beland.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.