Recensie

Recensie Boeken

Nicolien Mizee verovert steeds meer een geaccepteerde plek als buitenstaander

Nicolien Mizee Ze leken achteloos opgeschreven, de brieven die Mizee faxte aan haar leermeester Ger. Maar het vernuft wordt steeds duidelijker. (●●●●)

Illustratie Paul van der Steen

‘Kind, wat kan jij vertellen’, krijgt Nicolien ineens te horen van een hartelijke kennis. ‘Dat is echt een gave hoor.’ In het volgende groepsgesprek – Nicolien is op vakantie in het Franse huis van een vriendin – wordt ze zich meteen bewust van zichzelf, van hoe ze het toch kan verdragen als iemand iets saais vertelt: ‘Ik hield inderdaad acuut op met luisteren, maar bestudeerde Guusjes gezicht, haar bewegingen, registreerde haar enthousiasme en wisselende gelaatsuitdrukkingen, en ving de draad van het verhaal pas weer op toen ze klaar was met de opsomming. En ik wist ineens zeker dat ik het altijd zo deed.’

Dat is inderdaad Mizees kracht: wanneer zij vertelt, draagt ze niet alleen informatie over, maar vangt ze ook de menselijke eigenaardigheden van de sprekers, al dan niet tussen de regels door. Omdat zij nou eenmaal ‘niets anders [doet] dan analyseren van wat me bezighoudt’. Dat vermogen maakte haar roman Moord op de moestuin begin dit jaar al tot zo’n wonderlijk genoegen. Het gesprek aan de keukentafel kon nog zulke idiote onderwerpen behelzen (kabouters!), het las als iets wat werkelijk gebeurd was, onvervalst, echt. Je bleef gemakkelijk gefascineerd, niet door het gesprek, maar door de personages – en door het nietsverbloemende licht waarin Mizees blik ze zette.

Kortom: schrijven kan ze, die Mizee.

Haar waarheid

Daarin begint ze net een beetje vertrouwen te krijgen aan het eind van de jaren negentig, als Allesverpletterende zich afspeelt, de derde in een onvolprezen reeks bundelingen van faxen die ze schreef aan haar steun, toeverlaat en goeroe Ger Beukenkamp, die ze leerde kennen toen ze een cursus scenarioschrijven bij hem volgde. Ze legt haar ziel bloot in de brieven, terwijl ze dikwijls gewoon schrijft over dagelijksheden als haar Wajong-uitkering, grappige dromen en hoe ergerlijk men zich gedraagt. Je kunt daar schamperend over doen, de anekdotes bestempelen als ‘onbenulligheden’, maar nou net in die gebeurtenissen toont zich zo vaak de ware aard van de mens. (‘De reden dat oorlogen gewonnen moeten worden is omdat dit soort dingen dan behouden blijft’, citeert ze Churchill: de kleine, mooie dingen waarmee levens zich vullen.)

In de eerste plaats leest Allesverpletterende als een naadloze voortzetting van de eerdere twee faxboeken, De kennismaking (2017) en De porseleinkast (2018) – wat niet verwonderlijk is, want oorspronkelijk was de correspondentie natuurlijk niet voor een boek bedoeld. In feite ligt dat ingewikkelder: van vormgeving is wel degelijk sprake. ‘Je moet voortdurend veinzen dat je het achteloos opschrijft. Dan denkt de lezer dat hij de enige is die het belang ervan doorziet’, voegt Mizee haar Ger toe – en dat geeft te denken. ‘Ik heb toch zo’n hekel aan alles wat zichtbaar vormgegeven is’, schrijft ze ook. ‘Je bezig houden met de vorm deugt nooit. Iets moet z’n eigen vorm krijgen en die valt nooit op. Als een vorm opvalt, is-ie verkeerd.’

Lees ook de recensie van De moestuin: Op een dag vindt ze een schedel in haar moestuintje

Zou het allemaal wel de ongefilterde waarheid zijn? Er speelde eerder dit jaar een onverkwikkelijke rechtszaak, tussen uitgeverij Van Oorschot en de moeder van Mizee, die meende dat ze in de faxboeken door haar dochter belasterd werd. Het vonnis pakte in het voordeel van de schrijfster uit: hier waren de feiten ‘op een literaire wijze […] ingekleurd met haar verbeelding en emoties’, oordeelde de rechter, en het werk ‘bevat dus niet de waarheid, maar haar waarheid’.

Regie over haar lot

Zo is het en daarvan raken we in Allesverpletterende steeds meer doordrongen. Ook omdat we zien dat Mizee steeds meer regie krijgt over haar lot. Waar ze in De porseleinkast nog weleens verpletterd dreigde te worden door familiesores, verhaalt ze nu bijna laconiek over de buitenechtelijke escapades van haar vader, met vrouwen die telkens ‘tante’ heetten. De verhouding tot Ger kristalliseert zich ook steeds meer uit: de aan afgoderij of stalking grenzende bewondering van voorheen verandert in een gelijkwaardiger verstandhouding. Nog steeds schrijft ze hem aan als ‘Ger van m’n hart’ of ‘Allesverpletterende’, maar het gaat wel steeds meer over het leven van Ger, over zijn werk en zijn relaties, waarover Nicolien haar zegje doet. De correspondentie die we lezen blijft eenzijdig, van Nicoliens kant, maar dat er (sporadisch) contact is tussen de twee wordt wel duidelijk. Op Nicoliens tamelijk pedant aanbod om zijn scenario’s van commentaar te voorzien – graag tegen betaling (zwart) en zonder mogelijkheid tot weerwoord – gaat Ger ook in. Haar positie in de wereld wordt steviger: ze verovert steeds meer een geaccepteerde plek als buitenstaander. ‘Vanuit mijn eigen grondwet beschouw ik de mensen om me heen.’ En daar valt nog altijd, of steeds meer, van te leren.

Zo heeft Allesverpletterende echt een ander karakter dan de eerdere faxboeken, zozeer dat je nu wel kunt spreken van een trilogie, over de wording van haar schrijverschap. Aan het eind van dit boek werkt ze aan haar debuutroman, waarover ze monter meldt dat hij vlot vordert. Begrijpelijk: het is nu tijd om zelf God te worden, of Ger.