Het fenomeen Annie M.G.

Halte Poëzie Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.

Annie M.G. Schmidt gaat een leven lang mee. ‘Sebastiaan’, haar magistrale vers over de spin Sebastiaan (‘Binnen werd een moord gepleegd./ Sebastiaan is opgeveegd.’) verscheen in februari 1948 in Het Parool. Wij lazen Het Vrije Volk en ik was pas vier en kan het toen niet gekend hebben, maar het in 1950 verschenen Fluitketeltje met ‘Dikkertje Dap’, de vogel Bisbisbis (‘waar iedereen zo bang voor is’) en Ubbeltje van de bakker is mij niet ontgaan.

Drie jaar later kwam Abeltje, een hoorspel waar wij jongens op woensdagmiddag het voetballen voor staakten, hetgeen wat zeggen wil. ‘Hoe zachtkens glijdt ons bootje/ al op het spieg’lend meer’, zongen Abeltje, Laura en meneer Tump van de patent anti-mot-ballen onder leiding van Klaterhoen, terwijl de lift van Warenhuis Knots waarin ze gevangen zaten hoog over de Oceanen vloog. Als mijn moeder en ik zelf zongen, waren het vaak liedjes uit de familie Doorsnee, ‘Geachte cliënten, ’t wordt lente’, ‘Do you want a cup of tea, please, please, please’ of ‘Ik ben Alie Cyankalie (de gevaarlijke vrouw uit Rotterdam’).

De liedjes van Annie M.G. waren onweerstaanbaar en, heel wonderlijk, je hoefde ze maar één keer te horen of je kende ze uit je hoofd. En dat is zo gebleven. ‘Blauw, blauw, hemelsblauw, juffrouw is die kat van jou?’, ‘Hoeveel kost die auto?/ Tien mille? Wat een koopje zeg’ – ik zing nog altijd Annie Schmidt.

Haar eigen leven ging ook een leven lang mee. Haar eerste gedicht maakte ze volgens de overlevering op haar vierde: ‘Er was eens een hond,/ die zat op z’n kont/ er was eens een kat/ die zat op z’n gat.’ Ze was toen vier. Op haar 27ste stond ze op het punt van trouwen toen haar aanstaande haar probeerde te verleiden, en vooraf vergiffenis ging vragen aan de Heer. „Dat was voor mij het breekpunt”, schreef Annie later. „Bidden voor het eten, dat kon ik aan. Bidden voor het vrijen stond mij zo deerlijk tegen dat ik hem sloeg en een bitse scène maakte.” Einde verkering.

Haar verzen uit die tijd die in het protestant-christelijke tijdschrift Opwaartsche wegen verschenen, bleven onopgemerkt, maar haar eerste gedicht in Het Parool maakte haar meteen tot een fenomeen: ‘Ter hoogte van het Koningsplein/ was onze liefde engelrein./ Maar bij de Munt werd het al minder./ Mon Dieu, als ik het niet verhinder…/ Hoe zal ’t dan bij de Amstel zijn.’

Honderden kinderversjes volgden, liedjes voor Doorsnee, Hommeles, Ja Zuster Nee Zuster, het kon niet op. Op haar 83ste schreef ze nog een Schaap Veronica ter gelegenheid van de 65ste verjaardag van Rudy Kousbroek. Op zaterdag 20 mei 1995 werd ze 84. De volgende morgen, tegen zonsopgang, vond ze het mooi geweest.

Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.