Opinie

Groen boontje

Marcel van Roosmalen

Het is geen breed gedragen sentiment, maar ik word soms juist somber van mensen die tegen beter weten in een positieve boodschap verkondigen. Je staat op een camping, het regent al een week en dan met iemand zijn die de hele tijd ‘na regen komt zonneschijn’ blijft zeggen. Bij een kapot apparaat op het knopje blijven drukken vind ik ook een onhebbelijke eigenschap.

Zo ben ik niet opgevoed.

Bij ons was tegenslag ingecalculeerd.

„Er was natuurlijk weinig bezoek”, zei mijn vader toen ik hem belde op een van zijn laatste verjaardagen.

Daarna: „O nee, daar komt Jannie aan.”

Jannie was het andere uiterste, een kennis uit de buurt die zelfs in het diepste duister nog lichtpuntjes meende te zien. Ze kwam soms aanwaaien. Toen mijn moeder het eten een keer had laten aanbranden constateerde zij terwijl ze met haar neus boven een pan hing dat je sommige boontjes misschien nog best kon eten. Tegenspoed was erg, maar een ramp meemaken met Jannie leek mijn vader het ergste.

Gisteren kreeg ik haar aan de telefoon, ik stond op een perron te wachten op de trein naar Helmond. Op de begrafenis van mijn vader had ik haar voor het laatst gesproken, het verbaasde me dat ze nog leefde.

De aftrap: wat ze zo fijn vond aan dat gure herfstweer was dat je de haard weer aan kon doen.

Ondertussen sloeg de regen me in het gezicht.

Maar goed, ze belde niet om over het weer te praten.

Mijn moeder was lelijk gevallen. Ik vertelde over de val, de ziekenhuisopname en de uitzichtloze situatie, waarna zij ongevraagd haar rugzak met goede bedoelingen begon uit te pakken.

Zij: „Gelukkig niet op het hoofd gevallen.”

Ik: „Maar wel hard gevallen.”

Ik vertelde dat de uitkomst ongeveer dezelfde was en hoe ik haar had aangetroffen in het ziekenhuis. Alleen, met een bewegingssensor ernaast.

Ze begon op te sommen wat mijn moeder allemaal nog wel kan.

„Ze kan ruiken, ze kan zien, ze heeft een hoortoestel, misschien straks weer lopen …”

Het werd een surrealistisch gesprek.

„Maar waar loopt ze dan naartoe?” vroeg ik op een zeker moment, „Want ze weet het niet meer.”

Ja, daar begon de stilte.

Daarna: „Zelf naar de wc is ook al wat.”

Het was even zoeken geweest, maar daar was dan alsnog het beloofde streepje blauwe lucht dat vanachter de wolken tevoorschijn piepte: ‘zelf naar de wc’ was het boontje dat je misschien nog wel kon eten.

Ik was even heel dicht bij mijn vader.

Zijn gezicht nu, en dat we daarna van hem hardop moesten beloven dat we haar bij een ramp of oorlog nooit binnen zouden laten.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.