Opinie

Die informatie is van óns, ministers, hou die niet achter

Bij het gebrekkig informeren van de Tweede Kamer door het kabinet staat vertrouwen in de democratie op het spel, schrijft .
De uitzondering: staatssecretaris Mark Harbers (Asiel, VVD) trad af na het onjuist informeren van de Tweede Kamer.
De uitzondering: staatssecretaris Mark Harbers (Asiel, VVD) trad af na het onjuist informeren van de Tweede Kamer. Foto David van Dam

‘Staatssecretaris Snel informeerde Kamer onjuist over schimmig rekenmodel”, kopte RTL Z begin dit jaar. De start van een reeks informatiemissers van de staatssecretaris van Financiën (D66) – te laat, te weinig, onjuist. Doodzondes in de parlementaire verhoudingen, heette dat ooit. Maar er blijkt leven na de dood. En niet alleen voor Snel. Sinds- en voordien deden dergelijke informatiedefecten zich voor bij minister Grapperhaus (Wildersproces), minister Bijleveld (bombardement in Irak), minister Blok (subsidie aan strijdgroepen) en nog bij een paar andere bewindslieden; incidenten die minder het nieuws haalden. Er lijkt sprake van een trend onder Rutte III. Onjuist of onvolledig informeren van de Kamers komt almaar vaker voor.

Daarover worden de laatste jaren van verschillende kanten terechte zorgen geuit, zonder dat er nou heel veel aan gedaan wordt. Ministers en staatssecretarissen komen er na wat krokodillentranen en verontschuldigingen nogal eens mee weg (een uitzondering was dit jaar staatssecretaris Harbers, die opstapte na verkeerde criminaliteitscijfers van asielzoekers). Ondertussen wordt het voor Kamerleden steeds moeilijker informatie te pakken te krijgen – een van de redenen voor de vele Kamervragen en moties. De departementen spelen ook steeds vaker een strategisch spel van achterhouden-van-wat-niet-moet. Vaak moet de pers eraan te pas komen om via de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) na heel veel moeite stukken boven water te krijgen, stukken die de Kamer dan zelfs pas later of helemaal niet krijgt te zien.

Hier dreigt een hellend vlak. Iedereen belijdt met de mond het belang van transparantie, maar de praktijk van de informatiehuishouding van de Nederlandse overheid is een andere. Uit de vele, vele Wob-beroepszaken die de overheid zelf aanspant om te voorkomen dat informatie moet worden prijsgegeven, valt die cultuur van onder de pet houden duidelijk af te lezen. Als je in Nederland informatie van de overheid wil hebben, dan zal je het uit de handen moeten komen trekken. Actief wordt weinig openbaar gemaakt (dat is maar duur en roept maar vragen op) en om informatie op verzoek te krijgen, wordt het burgers en Kamer moeilijk gemaakt. Die staan toch al op 1-0 achterstand omdat ze naar iets moeten vragen waarvan ze niet weten of het bestaat.

Deze erosie van de transparantie en openheid hangt samen met de gouvernementalisering of verbestuurlijking van ons staatbestel. De uitvoerende macht wil daadkrachtig zijn. Begrijpelijk in tijden van crisis: als er spijkers met koppen geslagen moeten worden, dan helpen pottenkijkers niet. Nu de crisis voorbij is, blijft die logica kennelijk bestaan.

De regels over het informeren van de Kamers zijn zonneklaar. Daar ligt het niet aan. Een kabinetsnotitie van minister Klaas de Vries van Binnenlandse Zaken (PvdA) uit 2002 geeft harde afspraken en gedetailleerde spelregels over omvang en reikwijdte van de inlichtingenplicht van regering aan de Kamers, zoals die in artikel 68 van de Grondwet verankerd is. Maar daar leven we inmiddels steeds minder naar.

Vertrouwensrelatie regering en parlement cruciaal

Er is natuurlijk ook geen scheidsrechter die op de naleving van die regels toeziet. En om nou voor ieder wissewasje een motie van wantrouwen in te dienen is ook zo weer wat. Zeker met brede coalities en marginale Kamermeerderheden denk je daar wel twee keer over na. Zoiets kwetsbaars als een vertrouwensrelatie tussen regering en parlement – de centrale as van ons politieke stelsel – moet het toch vooral hebben van cultuur, houding en faire omgangsvormen. Je informeert de Kamer volledig en juist, niet omdat je een sanctie te duchten hebt, maar omdat dat nodig is voor het vertrouwen in het bestel zelf.

Burgers moeten in een volwassen democratie zelf en via hun vertegenwoordigers alles kunnen weten van en over hun overheid. In een democratie is die informatie, net als de overheid, eigendom van de burgers. Daarbij past dus niet dat de regering kat-en-muis-spelletjes speelt met die grondwettelijke inlichtingenplicht, zoals nu. Tegenwoordig is informatie nogal eens ‘kwijt’, op onduidelijke gronden ‘vertrouwelijk’ of ‘geheim’, ‘moeilijk te achterhalen’, ‘onder de rechter’, of in – en dat in de meeste gevallen – pas heel laat beschikbaar. Dat bemoeilijkt niet alleen het functioneren van de Kamers, het ondermijnt ook het vertrouwen in de politiek als geheel en schept via stille precedentwerking nieuwe en slechtere verhoudingen met het parlement. En dat terwijl informatie en tijdige informatie steeds belangrijker aan het worden zijn bij het maken van beleid in een informatiesamenleving.

Lees ook: ‘Hoekstra informeerde Kamer niet volgens de regels over Air France-KLM’

Burgers kunnen en willen meer dan ooit betrokken worden bij overheidsbeleid, ‘mee-weten’, meedenken, zelfs meebeslissen. Juist in zo’n situatie moet je niet op informatie broeden, het lastig maken of eindeloos de vaststelling van de Wet open overheid (de nu al helemaal uitgeklede opvolger van de Wet openbaarheid van bestuur) traineren. Het zou goed zijn als de Kamers zich eens, net als in 2002, over de erosie van informatieverstrekking, inlichtingenplicht en openbaarheid zouden buigen. Nu gaat dat niet goed en daar lijdt het vertrouwen in het politieke bedrijf als geheel onder en de verhoudingen tussen parlement en regering in het bijzonder.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.