Opinie

De bouwopgave in Rotterdam is te hoog gegrepen

De gemeente wil de komende jaren 18.000 woningen bouwen én de stad ‘verdichten’. Daarom krijgen ongevraagde ideeën voor bouw, zoals aan de Parkkade, versnelde administratieve behandeling. Dat is de verkeerde – en – kostbare weg, vindt Henk Licher. De kleinere, zachtere plekken van de stad verdienen bescherming.

Illustratie Rik van Schagen
Illustratie Rik van Schagen

Het college van B en W heeft zichzelf tot doel gesteld maar liefst 18.000 woningen in de collegeperiode te bouwen. Het merendeel daarvan ziet men het liefst binnenstedelijk en ter bespoediging daarvan heeft men een nieuwe aanpak gekozen. Niet meer zoekt de gemeente zelf geschikte bouwplaatsen op, maar geeft daartoe het woningbouwend en beherend bouwbedrijf de ruimte om zelf locaties te zoeken en te vinden. Daarop mogen de ‘vinders’ zelf plannen aandragen en gedurende die tijd krijgen zij het alleenrecht op dat terrein. Lukt het, dan werkt de gemeente in hoog tempo de procedures af.

Het Park is wel/geen woongebied

De gemeente heeft daarvoor een woord bedacht: een „unsolicited proposal”, in gewoon Nederlands: een ongevraagd voorstel. De gemeente hoopt dat alles zo sneller en efficiënter gaat. Echter, het bijeensprokkelen van altijd lastige en betwiste locaties in de binnenstedelijke omgeving is een zelfgekozen narigheid die geen 18.000 woningen binnen de gestelde tijd kan opleveren. En daarmee bij voorbaat is dat programma tot mislukken gedoemd. Ook niet, en mogelijk juist daarom nog minder, als men het aan het bedrijfsleven overlaat de locaties te benoemen.

Wat is immers het geval? Met uitzondering van opgelegde mogelijkheden op grote open terreinen, die dan ook nog niet vervuild zijn, zijn er geen binnenstedelijke open locaties te vinden waar niet een probleem op rust. Het gaat dan veelal om relatief kleine terreinen in een stedelijke omgeving waar al veel mensen wonen, die niet lijdzaam gaan toezien hoe hun omgeving door lawaai en overlast (minder ruimte, wind, schaduw, verkeer, luchtkwaliteit) wordt belast. Bovendien is er vaak al een bestemmingsplan. Deze (bindende) plannen geven een precieze aanduiding van de bestemmingen, juist om burgers te beschermen tegen ander gebruik. De wetgever heeft goed ingezien dat wij niet terug willen naar 19de-eeuwse toestanden waarin elke private figuur of onderneming elke mogelijke plek mocht uitbaten voor woning-of bedrijfsbebouwing.

Het lijkt wel alsof het Rotterdamse stedenbouwkundig beleid zich nog steeds in een mentale instelling van ‘wederopbouw’ bevindt. Maar het wordt nu ook wel eens tijd om de kleinere en zachtere functies in de stad te respecteren en te koesteren. Dat hoort ook bij een leefbare stedelijke samenleving. Zie bijvoorbeeld hoe het mooie en historisch belangrijke Hotel New York compleet is gedegradeerd tot een kabouterhut naast de kolossale gebouwen met hun slagschaduwen, windstromen en aanzicht van staal en glas. In die grove aanpak past ook het als het ware ‘wegbouwen’ van de bijzondere cultuurhistorische (Rijks) monumenten Euromast, Maastunnelgebouw en het Park.

Ook de niet-harde functies zoals speelveldjes, parken, groene randen, oevers, vijvers, boomgroepen en de historisch belangrijke en aardige functies zoals gebouwtjes uit vroeger tijden, kunstwerken, installaties en zo meer verdienen in een aangename context behouden te blijven. Ook dát maakt de stad tot een unicum en een eenheid van samenstellende functies.

Maar moeten er dan niet vele duizenden woningen in en bij Rotterdam worden gebouwd voor de vele woningzoekenden? Zonder twijfel, los van de vraag of bij de eerstvolgende crisis die geweldige woningvraag niet weer plotseling diep instort. Maar goed, waar moeten die 18.000 woningen dan komen in die enkele jaren die dit collegeprogramma nog meegaat?

Graag in mijn backyard

Natuurlijk, hier en daar binnen de stedelijke ruimte valt nog veel op te knappen in oude bedrijfsruimten, en ook langs de Maas aan de Westzeedijk ligt nog heel wat laagwaardig grondgebruik met versleten bouwwerken en loodsen. Ook aan de zuidkant van de Maas kan nog heel wat gebeuren. Maar echt productie maken, meters maken in de woningbouw kan alleen op grote bouwlocaties aan de rand van de stad waarmee ook de kosten lager zijn. Zoek aansluiting op aanwezig openbaar vervoer of verbeter dat.

Tot slot nog even terug naar de Parkhaven. Dat is nu zo’n plek waar private partijen graag hun oog (en hun geld) op laten vallen. Profiteren van de kwaliteit van een aardige plek in de stad om daar appartementen met uitzicht te kunnen bouwen, ongeacht de kwaliteit van de plek die daarmee wordt vernietigd. Een rustige uitloopzone uit een drukke omgeving verdwenen, een drietal mooie en/of interessante Rotterdamse iconen inbouwend in een wand van staal, steen en glas, een strook groen met vele bomen kaalslaand, lawaai en drukte toevoegend door maar liefst 700 woningen erin te persen en dat in de hoogte. En passant de boten aan de kade met hun eigen bijzondere functie voor veel Rotterdammers en bezoekers, de wacht aanzeggend en de andere onderdelen (horeca) verwijderen. Tja, een ‘rafelrand’ van de stad aanpakken schijnt een leidinggevend ambtenaar ten stadhuize dat genoemd te hebben. Dat is precies ontkennen wat ik in het voorgaande bedoelde met de ‘zachte’, bijzondere en historische functies, bouwwerken en plaatsen die een stad mede zijn karakter geven.

Maar gelukkig ligt er ook in het geval van de Parkhaven een vigerend bestemmingsplan en zijn er al vele bezwaren ingebracht, ondersteund door een 6.000 (!) keer ondertekende petitie, waarvoor niet eens op grote schaal actie is gevoerd. Maar wat niet is, kan komen, en bezwaren zullen er zijn. En terecht want ‘ongenode voorstellen’ zet men, zoals men weet, gelijk dit soort gasten, buiten de deur.

Henk Licher Stedenbouwkundige en cultuurwetenschapper